Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

7085 palabras · página 77 de 284

  • fronsenB2

    fronste · hebben gefronst

    fruncir el ceño

    Zij fronste haar wenkbrauwen.

  • het frontB1

    frente

    Zijn opa vocht in de oorlog aan het front.

  • het fruitA2

    fruta

    Op mijn werk staat altijd fruit.

  • de frustratieB1

    frustración

    De trage procedure leidt tot frustratie.

  • frustrerenB1

    frustreerde · hebben gefrustreerd

    frustrar

    Het frustreert me dat de computer steeds vastloopt.

  • de functieA2

    puesto

    In welke functie werk je?

  • de functie-eisB2

    requisito del puesto

    Een rijbewijs is een harde functie-eis.

  • het functiegesprekB1

    entrevista de desempeño

    Volgende week heb ik mijn functiegesprek.

  • de functieomschrijvingB1

    descripción del puesto

    Lees de functieomschrijving goed door.

  • het functieprofielB1

    perfil del puesto

    Het functieprofiel staat in de vacature.

  • de functietitelA2

    título del puesto

    Wat is je functietitel precies?

  • functioneelB2

    funcional

    De keuken is klein maar heel functioneel.

  • functionerenB1

    functioneerde · hebben gefunctioneerd

    desempeñarse

    Hij functioneert goed in het team.

  • het functioneringsgesprekB2

    evaluación de desempeño

    Het functioneringsgesprek is één keer per jaar.

  • fundamenteelB1

    fundamental

    Vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel recht.

  • de funderingB2

    cimentación

    De fundering van het huis verzakt.

  • fungerenB1

    fungeerde · hebben gefungeerd

    funcionar, servir (de)

    De oude school fungeert nu als buurthuis.

  • fuserenB2

    fuseerde · zijn gefuseerd

    fusionarse

    De twee scholen gaan fuseren.

  • fysiekB2

    físico

    Dit werk in de bouw is fysiek erg zwaar.

  • de fysiotherapieB2

    fisioterapia

    Na de operatie kreeg hij fysiotherapie.

  • gaafB2

    genial (coloquial)

    Wat een gaaf idee om samen te koken!

  • gaanA1irregular

    ging · gingen · zijn gegaan

    ir

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • het gaatjeB2

    caries

    Er zit een gaatje in mijn kies.

  • de galerijB2

    corredor exterior

    Alle voordeuren komen uit op de galerij.

  • gamenA2

    gamede · hebben gegamed

    jugar a videojuegos

    Mijn broer gamet elke avond tot laat.