Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

1230 palabras · página 1 de 50

  • aanA1

    en, a

    De foto hangt aan de muur.

  • aanbiedenA2

    ofrecer

    Zij bood aan om te helpen.

  • aanbiedingA2

    oferta

    De kaas is in de aanbieding.

  • aanbodA2

    oferta, surtido

    Het aanbod in deze winkel is groot.

  • aankomenA2

    llegar

    Wij komen om acht uur aan.

  • aankomsthalA2

    sala de llegadas

    Ik wacht op je in de aankomsthal.

  • aankomsttijdA2

    hora de llegada

    De aankomsttijd staat op je kaartje.

  • aankoopA2

    compra

    Bewaar de bon van je aankoop.

  • aanpassenA2

    adaptar(se)

    Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.

  • aanrakenA2

    tocar

    Raak de hete pan niet aan.

  • aanstellingA2

    nombramiento

    Zij kreeg een vaste aanstelling.

  • aantalA2

    cantidad

    Het aantal deelnemers groeit.

  • aanwezigA2

    presente

    Je moet minstens 80% aanwezig zijn.

  • aardappelA1

    patata

    We eten vanavond aardappelen.

  • aardbeiA1

    fresa

    In juni zijn de aardbeien het lekkerst.

  • achtA1

    ocho

    Ik begin om acht uur.

  • achterA1

    detrás

    De tuin ligt achter het huis.

  • achterdeurA1

    puerta trasera

    Via de achterdeur kom je in de tuin.

  • ademA1

    aliento

    Haal even diep adem.

  • adresA1

    dirección

    Schrijf hier je adres op.

  • afdelingA2

    departamento

    Zij werkt op de afdeling verkoop.

  • afrekenenA2

    pagar (en caja)

    Ik ga even afrekenen.

  • afspraakA2

    cita

    Ik heb een afspraak om half drie.

  • afvalA2

    basura

    Het afval wordt op dinsdag opgehaald.

  • afwassenA2

    fregar los platos

    Wie wast er vanavond af?