Vocabulario
289 palabras · página 1 de 12
gaanA1irregular
ging · gingen · zijn gegaan
ir
Ik ga morgen naar Amsterdam.
het gaatjeB2
caries
Er zit een gaatje in mijn kies.
de galerijB2
corredor exterior
Alle voordeuren komen uit op de galerij.
gamenA2
gamede · hebben gegamed
jugar a videojuegos
Mijn broer gamet elke avond tot laat.
de gangA1
pasillo
Zet je schoenen in de gang.
de gansB2
ganso
Ganzen vreten het gras van de boeren op.
gapenB2
gaapte · hebben gegaapt
bostezar
Halverwege de lezing begon hij te gapen.
de garageA1
garaje
De fiets staat in de garage.
de garantieA2
garantía
Er zit twee jaar garantie op.
het garantiebewijsB2
certificado de garantía
Bewaar het garantiebewijs bij de doos.
de garantietermijnB2
plazo de garantía
De garantietermijn is twee jaar.
de gardeB2
batidor de varillas
Klop de eieren met een garde.
de garnaalB2
gamba
De garnalen worden op zee gekookt.
de gastA2
invitado
Op ons feest waren meer dan vijftig gasten.
de gastarbeiderB2
trabajador invitado
Veel gastarbeiders bleven uiteindelijk in Nederland.
de gastheerB1
anfitrión
Hij was een uitstekende gastheer.
gastvrijB1
hospitalario
Zij zijn heel gastvrij voor bezoek.
de gastvrijheidB2
hospitalidad
Bedankt voor jullie gastvrijheid.
het gasverbruikB2
consumo de gas
Ons gasverbruik is gehalveerd.
het gatA2
agujero
Er zit een gat in mijn sok.
gauwA1
pronto
Tot gauw!
het gebaarB2
gesto
Met een gebaar liet hij ons binnen.
het gebakA1
pastel
Bij de koffie was er gebak.
het gebedB2
oración
Het gebed duurt een kwartier.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
ocurrir
Wat is er gebeurd?

