Vocabulario
166 palabras · página 1 de 7
absoluutB1
absolutamente
Dat wil ik absoluut niet missen.
afA2
terminado, acabado
Mijn huiswerk voor morgen is eindelijk af.
alA1
ya
Ben je er nu al?
aldusB2
así; según
Het aantal fietsers stijgt, aldus de onderzoekers.
alleenA1
solo; solamente
Ik woon alleen.
allerminstB2
en absoluto
Dat is allerminst zeker.
altijdA1
siempre
Hij komt altijd te laat.
alweerA2
otra vez
Het regent alweer, de hele week al.
andersA2
diferente; si no
Hij ziet er nu heel anders uit dan vroeger.
apartA1
por separado
We betalen apart.
behoorlijkB1
bastante, considerablemente
Het is behoorlijk koud vandaag, trek een jas aan.
benedenA2
abajo (en la planta baja)
De keuken is beneden en de slaapkamers zijn boven.
beterA1
mejor
Ik voel me vandaag al beter.
bijnaA1
casi
Ik ben bijna klaar.
bijvoorbeeldA1
por ejemplo
Neem bijvoorbeeld de bus van acht uur.
binnenA1
dentro
Kom binnen, het is koud buiten.
binnenkortA2
próximamente
Binnenkort gaan we verhuizen naar een groter huis.
blijkbaarB2
por lo visto
Blijkbaar was de brief nooit aangekomen.
bovenA1
arriba
De slaapkamers zijn boven.
bovendienA2
además
Het is duur en bovendien ver weg.
buitenA1
fuera
De kinderen spelen buiten.
circaB2
aproximadamente (formal)
De reparatie duurt circa twee weken.
daarA1
allí
Daar staat mijn fiets.
daardoorB1
por eso, debido a ello
De trein had vertraging, daardoor kwam ik te laat.
daarentegenB2
en cambio
Hij werkt langzaam; zij daarentegen is heel snel.

