Vocabulario
165 palabras · página 1 de 7
de zaagB2
sierra
Met deze zaag gaat het sneller.
zaaienB2
zaaide · hebben gezaaid
sembrar
In maart kun je al zaaien.
het zaaigoedB2
semilla para siembra
Het zaaigoed komt uit eigen oogst.
de zaakB1
negocio; asunto
Mijn oom heeft een eigen zaak in het centrum.
zachtA1
blando, suave
Dit kussen is lekker zacht.
bajo, suave (de sonido)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
de zakA1
bolsillo; bolsa
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zakkenB1
zakte · zijn gezakt
suspender
Hij is helaas gezakt voor het examen.
de zakken
bolsas, sacos (plural de zak)
Hij zet de zakken met oud papier bij de container.
de zalfA2
pomada
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
de zalmB2
salmón
Zalm trekt de rivier op om te paaien.
de zandbankB2
banco de arena
Het schip liep op een zandbank.
de zandgrondB2
suelo arenoso
Zandgrond droogt sneller uit.
de zaterdagA1
sábado
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
paso de cebra
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
mar
De zee is vandaag onrustig.
de zeearmB2
brazo de mar
De zeearm werd afgesloten met een dam.
de zeefB2
colador
Giet de pasta af in een zeef.
de zeepA1
jabón
Was je handen met zeep.
zeerB1
muy (formal)
De service in dit hotel was zeer goed.
de zeespiegelB2
nivel del mar
De zeespiegel stijgt langzaam.
de zeespiegelstijgingB2
subida del nivel del mar
Zeespiegelstijging bedreigt laaggelegen landen.
de zeevaartB2
navegación marítima
De zeevaart bracht het land welvaart.
zeggenA1irregular
zei · zeiden · hebben gezegd
decir
Wat zei je?
zekerA1
seguro
Weet je dat zeker?
zeldenA2
raramente
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
mismo
Dat heb ik zelf gemaakt.

