Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

7085 palabras · página 91 de 284

  • grofB1

    grosero, tosco

    Hij gebruikte grove taal tegen de buschauffeur.

  • de grondB1

    suelo, tierra

    De grond is nat na al die regen.

  • het grondgebiedB2

    territorio

    Deze wet geldt op het hele grondgebied.

  • grondigB1

    a fondo, minucioso

    De monteur heeft de auto grondig gecontroleerd.

  • het grondrechtB2

    derecho fundamental

    Vrijheid van meningsuiting is een grondrecht.

  • de grondstofB2

    materia prima

    Deze grondstoffen worden schaarser.

  • het grondwaterB1

    agua subterránea

    Het grondwater staat hier hoog.

  • de grondwetA2

    constitución

    Dat recht staat in de grondwet.

  • grootA1

    grande

    Zij wonen in een groot huis.

  • de grootmoederA2

    abuela (formal)

    Mijn grootmoeder is geboren in een dorp in Friesland.

  • grootsB1

    grandioso

    Het feest werd groots gevierd met vuurwerk.

  • grootschaligB2

    a gran escala

    Er komt een grootschalig onderzoek naar armoede.

  • de grootteB1

    tamaño

    Deze schoenen zijn er in elke grootte.

  • de grootvaderA2

    abuelo (formal)

    Mijn grootvader werkte vroeger als visser op zee.

  • de grotB2

    cueva

    De grot is alleen met gids toegankelijk.

  • grotendeelsB2

    en gran parte

    Het werk aan ons nieuwe huis is grotendeels klaar.

  • gruwelijkB1

    atroz, espeluznante

    De foto’s van de oorlog waren gruwelijk.

  • gunnenB1

    gunde · hebben gegund

    alegrarse por alguien, conceder

    Ik gun het je echt dat je die baan krijgt.

  • de gunstB1

    favor

    Mag ik je om een kleine gunst vragen?

  • gunstigB1

    favorable

    De rente is op dit moment gunstig om een huis te kopen.

  • de gynaecoloogB2

    ginecólogo

    De gynaecoloog begeleidt de zwangerschap.

  • de haaiB2

    tiburón

    In de Noordzee leven ook kleine haaien.

  • het haarA1

    pelo

    Zij heeft lang haar.


    su (de ella)

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • de haastA2

    prisa

    Ik heb haast, want mijn bus vertrekt zo.


    casi

    Het is haast onmogelijk om hier een parkeerplaats te vinden.

  • zich haastenB1reflexivo

    haastte · hebben gehaast

    darse prisa

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.