Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

7085 palabras · página 82 de 284

  • de gelijkmoedigheidB2

    ecuanimidad

    Zij droeg het verlies met gelijkmoedigheid.

  • de gelijkwaardigheidB2

    igualdad de valor

    Gelijkwaardigheid tussen partners is vanzelfsprekend.

  • de geloofsovertuigingB2

    convicción religiosa

    Niemand mag om zijn geloofsovertuiging worden benadeeld.

  • geloofwaardigB2

    creíble

    Zijn verhaal klinkt niet geloofwaardig.

  • de geloofwaardigheidB2

    credibilidad

    De geloofwaardigheid van de bron staat ter discussie.

  • gelovenA1

    geloofde · hebben geloofd

    creer

    Ik geloof je wel.

  • gelovigB1

    creyente

    Mijn ouders zijn gelovig en gaan elke week naar de moskee.

  • het geluidA2

    sonido, ruido

    Ik hoor een vreemd geluid uit de keuken komen.

  • de geluidshinderB2

    contaminación acústica

    Rond het vliegveld is veel geluidshinder.

  • de geluidskwaliteitB2

    calidad de sonido

    De geluidskwaliteit van de podcast is prima.

  • de geluidsopnameB2

    grabación de audio

    De geluidsopname is als bewijs gebruikt.

  • de geluidsoverlastA2

    molestias por ruido

    We hebben veel geluidsoverlast van de buren.

  • de geluidstechnicusB2

    técnico de sonido

    De geluidstechnicus stelde de microfoons af.

  • het gelukA1

    suerte, felicidad

    Veel geluk met je nieuwe baan!

  • gelukkigA1

    feliz; afortunadamente

    Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.

  • de gelukzaligheidB2

    dicha

    Een moment van pure gelukzaligheid.

  • het gemaalB2

    estación de bombeo

    Het gemaal pompt het water weg.

  • het gemakB1

    comodidad, facilidad

    Voor het gemak bestellen we pizza vanavond.

  • gemakkelijkA2

    fácil (más formal)

    De eerste opdracht van het examen was gemakkelijk.

  • gematigdB2

    templado

    Nederland heeft een gematigd zeeklimaat.

  • gemeenB1

    malo, cruel; común

    Het is gemeen om andere kinderen uit te lachen.

  • de gemeenschapA2

    comunidad

    De hele gemeenschap hielp mee na de brand.

  • gemeenschappelijkB1

    común

    De bewoners delen een gemeenschappelijke tuin.

  • de gemeenschapszinB2

    sentido de comunidad

    In kleine dorpen is de gemeenschapszin sterk.

  • de gemeenteA2

    municipio

    Je moet je inschrijven bij de gemeente.