Vocabulario
6551 palabras · página 55 de 263
doeiA1
chao
Doei, tot morgen!
het doekA1
trapo
Veeg de tafel af met een doek.
het doelA1
meta, objetivo
Wat is het doel van deze cursus?
de doelgerichtheidB2
orientación a objetivos
Haar doelgerichtheid valt op.
de doelgroepB2
público objetivo
Wie is de doelgroep van dit programma?
het doelpuntB1
gol
Hij maakte het winnende doelpunt in de laatste minuut.
de doelstellingB1
objetivo
We hebben onze doelstelling gehaald.
het doelwitB1
blanco, objetivo
Ouderen zijn vaak het doelwit van oplichters.
doenA1irregular
deed · deden · hebben gedaan
hacer
Wat doe je in het weekend?
de dokterA1
médico
Ik ga morgen naar de dokter.
het doktersadviesB1
consejo médico
Volg het doktersadvies goed op.
de doktersassistentA2
auxiliar de consulta
De doktersassistent maakt de afspraken.
het doktersbezoekB1
visita al médico
Na het doktersbezoek voelde ik me gerustgesteld.
domA2
tonto
Ik heb een dom foutje gemaakt in mijn brief.
het domeinB1
ámbito, campo
Dit valt buiten het domein van de huisarts.
de domineeB2
pastor protestante
De dominee sprak bij de uitvaart.
de donateurB2
donante
De stichting heeft vijfduizend donateurs.
de donatieB2
donativo
De organisatie leeft van donaties.
de donderdagA1
jueves
De les is elke donderdag.
donerenB2
doneerde · hebben gedoneerd
donar (dinero)
Je kunt geld doneren aan het goede doel.
donkerA1
oscuro
In de winter is het om vijf uur al donker.
doodA2
muerto
De plant is dood, want ik vergat water te geven.
de dood
muerte
Na de dood van zijn vader verhuisde hij naar Utrecht.
de dooiB2
deshielo
Na de dooi kwamen er gaten in de weg.
doorA1
por, a través de
We liepen door het park.
de doorbraakB2
avance, logro
Na lange gesprekken was er eindelijk een doorbraak.

