Vocabulario
264 palabras · página 10 de 11
trekkenB1irregular
trok · trokken · hebben/zijn getrokken
tirar de; desplazarse
Je moet de deur trekken, niet duwen.
de trekrouteB2
ruta migratoria
Deze kust ligt op een belangrijke trekroute.
de trekvogelB2
ave migratoria
Trekvogels vertrekken in het najaar.
de trendB2
tendencia
De trend is al tien jaar dezelfde.
trillenB2
trilde · hebben getrild
temblar
Zijn handen trilden van de zenuwen.
de troonredeB2
discurso del trono
In de troonrede staan de plannen voor het jaar.
troostenB2
troostte · hebben getroost
consolar
Ze troostte haar dochter na de uitslag.
troostendB2
reconfortante
Zij zei iets troostends.
trotsA1
orgulloso; orgullo
Ze is trots op wat ze bereikt heeft.
trouwB2
fiel, leal
Onze hond is erg trouw aan de familie.
de trouwambtenaarB2
oficiante del registro civil
De trouwambtenaar hield een korte toespraak.
trouwenA1
trouwde · zijn getrouwd
casarse
Zij gaan in juni trouwen.
trouwensA2
por cierto
Trouwens, heb je die brief al gelezen?
de trouwkaartB2
invitación de boda
De trouwkaart kwam drie maanden van tevoren.
de tuinA1
jardín
We hebben een kleine tuin achter het huis.
het tuinafvalB1
residuos de jardín
Tuinafval gaat in de groene bak.
de tuinderB2
horticultor
De tuinder kweekt tomaten onder glas.
tuinierenB1
tuinierde · hebben getuinierd
hacer jardinería
In het voorjaar ga ik graag tuinieren.
het tuinonderhoudA2
mantenimiento del jardín
Het tuinonderhoud doen we zelf.
het tuinpadA1
camino del jardín
Het tuinpad ligt vol bladeren.
de tuinslangB2
manguera
De tuinslang ligt opgerold in de schuur.
de tuinstoelA1
silla de jardín
De tuinstoelen staan in de schuur.
de tunnelA2
túnel
Door de tunnel ben je er sneller.
de turfwinningB2
extracción de turba
Door turfwinning veranderde het landschap ingrijpend.
tussenA1
entre
De winkel zit tussen de bank en het café.

