Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

252 palabras · página 9 de 11

  • mitsB2

    siempre que

    U mag ruilen, mits u de bon bewaart.

  • de mobielA2

    móvil

    Mag ik even je mobiel gebruiken om te bellen?

  • het modelB1

    modelo

    Dit model fiets is licht en niet duur.

  • modernA2

    moderno

    Ze wonen in een modern huis met grote ramen.

  • modieusB2

    a la moda

    Die bril is heel modieus.

  • moeA1

    cansado

    Ik ben vandaag heel moe.

  • de moedeloosheidB2

    desánimo

    Na drie afwijzingen sloeg de moedeloosheid toe.

  • de moederA1

    madre

    Mijn moeder woont in Utrecht.

  • de moedertaalB2

    lengua materna

    Mijn moedertaal is Arabisch.

  • moedigA2

    valiente

    Dat was een moedige beslissing.

  • moeilijkA1

    difícil

    Nederlands is soms moeilijk.

  • de moeiteB1

    esfuerzo; dificultad

    Ik heb moeite met het lezen van lange teksten.

  • het moerasB2

    pantano

    Dit gebied was vroeger moeras.

  • de moestuinB2

    huerto

    In de moestuin groeien bonen en sla.

  • moetenA1irregular

    moest · moesten · hebben gemoeten

    tener que

    Ik moet nu weg.

  • mogelijkA1

    posible

    Is het mogelijk om later te komen?

  • de mogelijkheidA2

    posibilidad

    Er is nog een andere mogelijkheid.

  • mogenA1irregular

    mocht · mochten · hebben gemogen

    poder (permiso)

    Mag ik hier zitten?

  • het molecuulB2

    molécula

    Een watermolecuul bevat twee waterstofatomen.

  • de molenB2

    molino

    De molen maalde vroeger graan.

  • het momentA1

    momento

    Een moment, ik kom eraan.

  • momenteelB1

    actualmente

    Momenteel werk ik vier dagen per week.

  • de monarchieB2

    monarquía

    Nederland is een constitutionele monarchie.

  • de mondA1

    boca

    Doe je mond open, zegt de tandarts.

  • de mondhygiënistB2

    higienista dental

    De mondhygiënist reinigt het tandsteen weg.