Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7085 слов · страница 63 из 284

  • dromenA1

    droomde · hebben gedroomd

    видеть сны, мечтать

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • dronkenB2

    пьяный

    Hij was te dronken om nog te rijden.

  • droogA1

    сухой

    De was is nog niet droog.

  • de droogleggingB2

    осушение

    De drooglegging duurde jaren.

  • de droogteB1

    засуха

    Door de droogte mag je de tuin niet sproeien.

  • de droogteperiodeB2

    период засухи

    Na een lange droogteperiode viel er eindelijk regen.

  • de droomA2

    мечта; сон

    Mijn droom is een eigen restaurant openen.

  • de drugB1

    наркотик

    De politie vond in de auto een grote hoeveelheid drugs.

  • de druifA1

    виноград

    Deze druiven zijn erg zoet.

  • drukA1

    оживлённый, загруженный

    Het is druk in de stad.

  • drukkenA2

    drukte · hebben gedrukt

    нажимать; печатать

    Druk op de groene knop om de deur te openen.

  • de drukpersB2

    печатный станок

    De drukpers draait 's nachts.

  • de drukteB1

    толчея, суета

    Door de drukte in de winkel moest ik lang wachten.

  • het drukwerkB2

    печатная продукция

    Het drukwerk is duurder geworden.

  • de druppelB2

    капля

    Drie druppels in elk oog.

  • dubbelB1

    двойной; дважды

    Door de storing betaalde ik de rekening dubbel.

  • dubbelzinnigB2

    двусмысленный

    Zijn antwoord was bewust dubbelzinnig.

  • duidelijkA1

    понятный, ясный

    Is het nu duidelijk?

  • de duidelijkheidB1

    ясность

    Wij willen snel duidelijkheid over onze uitkering.

  • duidenB1

    duidde · hebben geduid

    указывать на; толковать

    Deze cijfers duiden op een betere economie.

  • duikenB2неправильный

    dook · doken · hebben/zijn gedoken

    нырять

    De jongens duiken van de brug in het water.

  • duimenB2

    duimde · hebben geduimd

    держать кулачки

    Ik duim voor je dat je slaagt voor je examen!

  • het duinB2

    дюна

    De duinen houden het zeewater tegen.

  • duisterB1

    тёмный, неясный

    Het blijft duister waarom hij vertrok.

  • DuitsA2

    немецкий

    Mijn buurvrouw spreekt vloeiend Duits en Engels.