Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

474 слов · страница 1 из 19

  • baanA2

    работа

    Zij heeft een nieuwe baan gevonden.

  • baasA2

    начальник

    Mijn baas is vandaag afwezig.

  • baasjeB2

    хозяин животного

    Het baasje moet de hond opruimen.

  • babbeltrucB2

    мошенничество путём отвлечения

    Ouderen zijn vaak slachtoffer van een babbeltruc.

  • babyA1

    младенец

    De baby slaapt nu.

  • babyborrelB2

    праздник по случаю рождения

    Op de babyborrel waren veertig mensen.

  • bachelorB2

    бакалавриат

    Na je bachelor kun je doorstuderen.

  • bacterieB2

    бактерия

    Niet elke bacterie is schadelijk.

  • badkamerA1

    ванная

    De badkamer is boven.

  • badkuipA2

    ванна

    In deze badkamer staat geen badkuip.

  • bagageA2

    багаж

    Laat je bagage niet alleen achter.

  • bakkenA2

    жарить, печь

    Ik bak een ei voor het ontbijt.

  • bakkerA2

    пекарня, пекарь

    Ik haal brood bij de bakker.

  • baliemedewerkerB2

    сотрудник стойки обслуживания

    De baliemedewerker hielp mij snel.

  • balkonA2

    балкон

    Op het balkon staan planten.

  • banaanA1

    банан

    Wil je een banaan?

  • bandA2

    шина, покрышка

    Mijn band is lek.

  • banenverliesB2

    потеря рабочих мест

    Automatisering kan leiden tot banenverlies.

  • bangA2

    испуганный

    Ik ben bang voor honden.

  • bankA2

    банк

    Ik heb een rekening bij deze bank.

  • bankafschriftB1

    выписка со счёта

    Op het bankafschrift zie je alle betalingen.

  • bankkostenB1

    банковские комиссии

    De bankkosten zijn dit jaar verhoogd.

  • bankrekeningA2

    банковский счёт

    Je hebt een bankrekening nodig voor je salaris.

  • barmanB2

    бармен

    De barman kent iedereen bij naam.

  • basisbehoefteB2

    базовая потребность

    Wonen is een basisbehoefte, geen luxe.