Словарь
153 слов · страница 1 из 7
aanA1
на, к
De foto hangt aan de muur.
aangezienB2
поскольку
Aangezien het regent, gaan we niet.
achtA1
восемь
Ik begin om acht uur.
achterA1
за, позади
De tuin ligt achter het huis.
allebeiA1
оба
Wij werken allebei fulltime.
allemaalA1
все
We gaan allemaal mee.
allerleiB1
всевозможные, разные
Op de markt kun je allerlei groenten kopen.
allesA1
всё
Alles is klaar.
alsA1
если, когда
Als het regent, blijven we binnen.
alsjeblieftA1
пожалуйста
Hier is je koffie, alsjeblieft.
alsofB1
как будто
Hij doet alsof hij niets gehoord heeft.
behalveB1
кроме
Iedereen komt naar het feest, behalve mijn broer.
beideA2
оба (перед сущ.)
Beide kinderen gaan naar dezelfde school.
bijA1
у, около
Ik ben bij de dokter.
de dagA1
день
Elke dag ga ik naar mijn werk.
здравствуйте; до свидания
Dag mevrouw, kan ik u helpen?
danA1
потом, тогда
Eerst eten, dan afwassen.
dankjewelA1
спасибо
Dankjewel voor je hulp.
dankzijB1
благодаря
Dankzij jouw hulp heb ik het examen gehaald.
datA1
что (союз)
Ik denk dat de trein vandaag later komt.
derdeA1
третий
Hij werd derde in de wedstrijd.
dertigA1
тридцать
Ik ben dertig jaar oud.
dezelfdeA2
тот же самый
Wij hebben dezelfde leraar als vorig jaar.
doeiA1
пока
Doei, tot morgen!
doorA1
через; из-за
We liepen door het park.
doordatB2
из-за того что
Doordat de trein uitviel, kwam zij te laat.

