Словарь
500 слов · страница 1 из 20
vaakA1
часто
Ik ga vaak met de fiets.
de vaardigheidB1
навык
Communiceren is een belangrijke vaardigheid.
de vacatureB1
вакансия
Er staat een vacature op hun website.
de vacaturebankB2
база вакансий
Zoek in de vacaturebank op postcode.
de vacaturetekstB2
текст вакансии
De vacaturetekst is te vaag geschreven.
de vaccinatieB1
вакцинация
De vaccinatie is gratis.
het vaccinatieprogrammaB1
программа вакцинации
Kinderen krijgen prikken via het vaccinatieprogramma.
het vaccinatieschemaB2
график прививок
Het vaccinatieschema begint bij twee maanden.
de vaderA1
отец
Mijn vader kookt heel goed.
het vakB1
предмет
Wiskunde is mijn favoriete vak.
ремесло, профессия
Hij verstaat zijn vak.
de vakantieA2
отпуск, каникулы
We gaan deze zomer op vakantie naar Spanje.
het vakantieadresB1
адрес на время отпуска
Geef je vakantieadres door aan je buren.
de vakantiebestemmingB1
место отдыха
Spanje is een populaire vakantiebestemming.
de vakantiedagenA2
дни отпуска
Ik heb nog tien vakantiedagen over.
het vakantiegeldB2
отпускные
Het vakantiegeld wordt in mei uitbetaald.
het vakantieparkB1
база отдыха
We huren een huisje op een vakantiepark.
de vakantieplanningB1
планирование отпуска
De vakantieplanning maken we in januari.
de vakbekwaamheidB2
профессиональная компетентность
Vakbekwaamheid moet je regelmatig aantonen.
de vakbondB2
профсоюз
De vakbond onderhandelt over de cao.
de vakbondsactieB2
профсоюзная акция
De vakbondsactie legde het treinverkeer stil.
het vakbondslidB2
член профсоюза
Als vakbondslid betaal je contributie.
de vakdidactiekB2
методика преподавания предмета
Vakdidactiek is een belangrijk onderdeel van de lerarenopleiding.
het vakdiplomaB2
профессиональный диплом
Voor dit beroep is een vakdiploma verplicht.
de vakdocentB2
учитель-предметник
De vakdocent geeft alleen scheikunde.
het vakgebiedB2
профессиональная область, специальность
Binnen haar vakgebied is zij een autoriteit.

