Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7085 слов · страница 234 из 284

  • uithalenB1отделяемый

    haalde uit · hebben uitgehaald

    вытворять; вынимать; замахиваться

    Wat hebben de kinderen nu weer uitgehaald?

  • uithangenB1отделяемыйнеправильный

    hing uit · hingen uit · hebben uitgehangen

    пропадать, тусоваться; строить из себя; вывешивать

    Waar hangt jouw broer tegenwoordig de hele dag uit?

  • het uithoudingsvermogenB2

    выносливость

    Hardlopen verbetert je uithoudingsvermogen.

  • de uitingB1

    проявление, выражение

    Huilen is een normale uiting van verdriet.

  • het uitjeB1

    выезд, вылазка

    We doen jaarlijks een uitje met het team.

  • de uitkeringA2

    пособие

    Hij ontvangt tijdelijk een uitkering.

  • het uitkeringsstelselB2

    система пособий

    Het uitkeringsstelsel is complex geworden.

  • uitkiezenA2отделяемыйнеправильный

    koos uit · kozen uit · hebben uitgekozen

    выбирать (из нескольких)

    Je mag zelf een cadeau uitkiezen.

  • uitkijkenB1отделяемыйнеправильный

    keek uit · keken uit · hebben uitgekeken

    смотреть, быть осторожным; ждать с нетерпением

    Kijk goed uit als je de straat oversteekt.

  • de uitkijktorenB2

    смотровая вышка

    Vanaf de uitkijktoren zie je het hele gebied.

  • uitkomenA2отделяемыйнеправильный

    kwam uit · kwamen uit · zijn uitgekomen

    подходить (о времени)

    Komt dinsdag jou goed uit?


    выясниться, оказаться

    Later kwam uit dat de cijfers niet klopten.

  • de uitkomstB1

    результат; спасение

    De uitkomst van het onderzoek was positief.

  • de uitlaatserviceB2

    услуга выгула собак

    Overdag komt de uitlaatservice langs.

  • de uitleentermijnB2

    срок выдачи книги

    De uitleentermijn is drie weken.

  • de uitlegB1

    объяснение

    Bedankt voor de duidelijke uitleg.

  • uitleggenB1отделяемый

    legde uit · hebben uitgelegd

    объяснять

    Kun je dat nog een keer uitleggen?

  • uitlopenB1отделяемыйнеправильный

    liep uit · liepen uit · zijn uitgelopen

    затягиваться; заканчиваться (чем-то)

    De vergadering liep een half uur uit.

  • uitmakenB1отделяемый

    maakte uit · hebben uitgemaakt

    иметь значение; расставаться

    Het maakt niet uit waar we eten.

  • uitnodigenB1отделяемый

    nodigde uit · hebben uitgenodigd

    приглашать

    Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest.

  • de uitnodigingB1

    приглашение

    Bedankt voor de uitnodiging!

  • uitoefenenB1отделяемый

    oefende uit · hebben uitgeoefend

    осуществлять, заниматься (профессией)

    Hij mag zijn beroep als arts in Nederland nog niet uitoefenen.

  • uitpakkenB1отделяемый

    pakte uit · hebben uitgepakt

    распаковывать; оборачиваться

    Na de verhuizing hebben we alle dozen uitgepakt.

  • uitpratenB2отделяемый

    praatte uit · hebben uitgepraat

    договорить

    Mag ik even uitpraten?

  • de uitputtingB2

    истощение

    De uitputting van grondstoffen is een risico.

  • uitrekenenB1отделяемый

    rekende uit · hebben uitgerekend

    вычислять, подсчитывать

    Kun je even uitrekenen hoeveel we samen moeten betalen?