Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7085 слов · страница 221 из 284

  • de tatoeageB2

    татуировка

    Een tatoeage laten verwijderen is duur.

  • de taxatieB2

    оценка недвижимости

    De bank eist een taxatie van de woning.

  • de taxiA2

    такси

    We namen een taxi naar het hotel.

  • teA1

    слишком

    Deze jas is te duur voor mij.


    частица перед инфинитивом (te)

    Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.

  • het teamA2

    команда

    Ik werk in een klein team van vijf collega's.

  • de teambuildingB2

    тимбилдинг

    De middag stond in het teken van teambuilding.

  • de teamgeestB1

    командный дух

    De teamgeest is hier goed.

  • de teamleiderB1

    руководитель группы

    Vraag het even aan de teamleider.

  • de teamsportB1

    командный спорт

    Voetbal is de bekendste teamsport.

  • de teamvergaderingA2

    собрание команды

    De teamvergadering is elke maandag.

  • de techniekB1

    техника; приём

    Hij heeft veel interesse in techniek en computers.

  • technischB2

    технический

    Zij volgt een technische opleiding op het mbo.

  • de technologieA2

    технология

    Nieuwe technologie verandert de arbeidsmarkt.

  • de teenA1

    палец ноги

    Ik stootte mijn teen tegen de tafel.

  • tegelijkA2

    одновременно

    Praat niet allemaal tegelijk.

  • tegelijkertijdB1

    в то же самое время

    Ik kan niet koken en tegelijkertijd bellen.

  • tegenA1

    против; (говорить) кому-то

    Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.

  • het tegenargumentB2

    контраргумент

    Op dat tegenargument had hij geen antwoord.

  • het tegendeelB1

    противоположное

    Hij is niet lui, integendeel: hij bewijst steeds het tegendeel.

  • tegenhoudenB1отделяемыйнеправильный

    hield tegen · hielden tegen · hebben tegengehouden

    удерживать, останавливать

    Niemand kon hem tegenhouden toen hij weg wilde.

  • tegenkomenB1отделяемыйнеправильный

    kwam tegen · kwamen tegen · zijn tegengekomen

    встречать (случайно)

    Ik kwam gisteren mijn oude buurvrouw tegen.

  • tegenoverA2

    напротив (через дорогу)

    De bakker zit tegenover de kerk.

  • tegenovergesteldB1

    противоположный

    Mijn broer en ik hebben tegenovergestelde meningen.

  • tegensprekenB2отделяемыйнеправильный

    sprak tegen · spraken tegen · hebben tegengesproken

    противоречить

    Die cijfers spreken elkaar tegen.

  • de tegenstanderB1

    противник, соперник

    Onze tegenstander was veel sterker dan wij.