Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7085 слов · страница 147 из 284

  • naar aanleiding vanB2

    в связи с

    Naar aanleiding van uw brief bel ik u.

  • naar mijn meningB2

    по моему мнению

    Naar mijn mening is dat te vroeg.

  • naarmateB1

    по мере того как

    Naarmate je meer oefent, spreek je beter.

  • naartoeA2

    туда, куда (направление)

    Waar ga je in de zomervakantie naartoe?

  • naastA1

    рядом с

    Hij zit naast mij.

  • nabijB1

    вблизи (книжн.)

    Het hotel ligt nabij het centraal station.

  • de nachtA1

    ночь

    Ik heb de hele nacht slecht geslapen.

  • de nachtdienstA2

    ночная смена

    Deze week heb ik nachtdienst.

  • de nachtmerrieB1

    кошмар

    Ik had vannacht een vreselijke nachtmerrie.

  • de nachtopvangB2

    ночлежка

    De nachtopvang zit elke winter vol.

  • de nachtrustB2

    ночной отдых

    Een goede nachtrust doet wonderen.

  • nadatA2

    после того как

    Nadat ik gegeten had, ging ik naar bed.

  • het nadeelB1

    недостаток, минус

    Het nadeel van dit huis is de afstand tot het station.

  • nadenkenA2отделяемыйнеправильный

    dacht na · dachten na · hebben nagedacht

    обдумывать

    Ik moet er nog even over nadenken.

  • naderenB1

    naderde · hebben/zijn genaderd

    приближаться

    Het einde van het schooljaar nadert.

  • nadienB2

    впоследствии

    Nadien hoorden we dat de wedstrijd was afgelast.

  • de nadrukB1

    ударение, акцент

    De docent legt de nadruk op uitspraak.

  • nadrukkelijkB1

    настойчивый, подчёркнутый

    De leraar vroeg nadrukkelijk om op tijd te komen.

  • nagaanB1отделяемыйнеправильный

    ging na · gingen na · hebben nagegaan

    проверять, выяснять

    Ik ga even na of uw pakket al verstuurd is.

  • de nagelA1

    ноготь

    Mijn nagels zijn te lang.

  • nagenoegB1

    почти, практически

    De nieuwe wijk is nagenoeg klaar.

  • het nagerechtA2

    десерт

    Als nagerecht is er ijs.

  • naïefB1

    наивный

    Het was naïef om de vreemde man te vertrouwen.

  • het najaarB1

    осень (вторая половина года)

    In het najaar beginnen we met de verbouwing.

  • nakijkenA2отделяемыйнеправильный

    keek na · keken na · hebben nagekeken

    проверять (работы, ошибки)

    De docent moet vanavond nog veertig toetsen nakijken.