Vocabulary
7809 words · page 93 of 313
gewoonA1
ordinary, normal; just
Het was een gewone dag op kantoor.
gewoonlijkB1
usually, normally
Gewoonlijk drink ik 's ochtends thee.
de gewoonteA2
habit
Vroeg opstaan is een goede gewoonte.
gewoonwegB2
simply, just
Zoveel werk in één dag is gewoonweg onmogelijk.
het gewrichtB2
joint
Mijn gewrichten doen 's ochtends pijn.
het gezagB1
authority (power)
De politie heeft het gezag op straat.
gezamenlijkB1
joint, shared
De buren organiseren een gezamenlijke dag om de straat schoon te maken.
gezelligB1
cosy, sociable
Het was een gezellige avond.
de gezelligheidB1
conviviality, cosiness
Ik kom vooral voor de gezelligheid.
het gezelschapB1
company (people)
Hij houdt van gezelschap.
het gezelschapsspelB1
board game
's Avonds doen we een gezelschapsspel.
het gezichtA1
face
Was je gezicht met koud water.
de gezichtsuitdrukkingB2
facial expression
Aan haar gezichtsuitdrukking zag ik het al.
het gezichtsvermogenB2
eyesight
Het gezichtsvermogen wordt jaarlijks gecontroleerd.
gezienB1
in view of, given
Gezien het slechte weer gaat het feest niet door.
het gezinA1
household family
Ons gezin bestaat uit vier personen.
de gezinsherenigingB2
family reunification
Na gezinshereniging kwam zijn vrouw over.
gezondA2
healthy
Hij eet heel gezond.
de gezondheidB1
health
Zorg goed voor je gezondheid.
het gezondheidsbeleidB2
health policy
Het gezondheidsbeleid richt zich meer op preventie.
het gezondheidscentrumB1
health centre
In het gezondheidscentrum zitten meerdere huisartsen.
de gezondheidscheckB1
health check
Mijn werkgever betaalt een jaarlijkse gezondheidscheck.
het gezondheidseffectB2
health effect
Het gezondheidseffect van luchtvervuiling is aangetoond.
de gezondheidsklachtB1
health complaint
Meld gezondheidsklachten altijd bij je huisarts.
de gezondheidsmonitorB2
health monitor (survey)
De gezondheidsmonitor verschijnt elke vier jaar.

