Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

34 words · page 1 of 2

  • zich aankledenA2separablereflexive

    kleedde aan · hebben aangekleed

    to get dressed

    Ik kleed me snel aan en ga naar mijn werk.

  • zich aanmeldenB1separablereflexive

    meldde aan · hebben aangemeld

    to register, to sign up

    U kunt zich online aanmelden.

  • aanpassenA2separable

    paste aan · hebben aangepast

    to adjust, to adapt (something)

    We passen het rooster aan de vakantie aan.


    zich aanpassenreflexive

    to adapt (oneself), to adjust

    Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.

  • zich aansluitenB2separablereflexiveirregular

    sloot aan · sloten aan · hebben aangesloten

    to join

    Wil je je bij onze groep aansluiten?

  • zich afmeldenB1separablereflexive

    meldde af · hebben afgemeld

    to cancel one's registration

    Vergeet niet je af te melden als je niet komt.

  • zich afvragenB1separablereflexiveirregular

    vroeg af · vroegen af · hebben afgevraagd

    to wonder

    Ik vraag me af of dat wel klopt.

  • bedenkenA2irregular

    bedacht · bedachten · hebben bedacht

    to think up, to come up with

    Wie heeft dit plan bedacht?


    zich bedenkenreflexive

    to change one's mind

    Hij wilde eerst mee, maar bedacht zich.

  • zich bemoeienB2reflexive

    bemoeide · hebben bemoeid

    to interfere, to meddle

    Bemoei je er niet mee, het is haar zaak.

  • zich bevindenB2reflexiveirregular

    bevond · bevonden · hebben bevonden

    to be located (zich bevinden)

    De ingang bevindt zich aan de achterkant van het gebouw.

  • zich bezighoudenB1separablereflexiveirregular

    hield bezig · hielden bezig · hebben beziggehouden

    to be occupied with, to deal with

    Zij houdt zich bezig met vrijwilligerswerk.

  • zich concentrerenB1reflexive

    concentreerde · hebben geconcentreerd

    to concentrate

    Ik kan me niet concentreren met dit lawaai.

  • zich ergerenB2reflexive

    ergerde · hebben geërgerd

    to annoy, to be annoyed

    Zij ergert zich aan het lawaai.

  • zich gedragenB1reflexiveirregular

    gedroeg · gedroegen · hebben gedragen

    to behave

    De kinderen gedroegen zich keurig op het feest.

  • zich haastenB1reflexive

    haastte · hebben gehaast

    to hurry

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.

  • zich herinnerenA2reflexive

    herinnerde · hebben herinnerd

    to remember

    Ik herinner me haar naam niet meer.

  • zich inschrijvenB1separablereflexiveirregular

    schreef in · schreven in · hebben ingeschreven

    to register, to enrol

    Je kunt je online inschrijven voor de cursus.

  • zich interesserenB1reflexive

    interesseerde · hebben geïnteresseerd

    to be interested in

    Hij interesseert zich voor geschiedenis.

  • zich inzettenB1separablereflexive

    zette in · hebben ingezet

    to commit oneself, to work for

    Zij zet zich in voor de buurt.

  • ontwikkelenA1

    ontwikkelde · hebben ontwikkeld

    to develop (something)

    Het bedrijf ontwikkelt een nieuwe app.


    zich ontwikkelenreflexive

    to develop, to grow

    Kinderen ontwikkelen zich in hun eigen tempo.

  • zich realiserenA2reflexive

    realiseerde · hebben gerealiseerd

    to realise

    Ik realiseerde me pas later wat er gebeurd was.

  • zich richtenA1reflexive

    richtte · hebben gericht

    to be aimed at, to focus on

    De cursus richt zich op beginners.

  • zich schamenB1reflexive

    schaamde · hebben geschaamd

    to be ashamed

    Hij schaamde zich voor zijn fout.

  • verantwoordenB1

    verantwoordde · hebben verantwoord

    to justify (a decision)

    Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.


    zich verantwoordenreflexive

    to answer for oneself, to account

    Hij moest zich verantwoorden tegenover de directie.

  • zich vergissenB1reflexive

    vergiste · hebben vergist

    to be mistaken

    Sorry, ik heb me vergist in de datum.

  • zich verheugenB2reflexive

    verheugde · hebben verheugd

    to look forward to

    Wij verheugen ons op uw komst.