Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

7085 words · page 50 of 284

  • de connotatieB2

    connotation

    Dat woord heeft een negatieve connotatie.

  • consequentB1

    consistent

    Ouders moeten consequent zijn als ze regels maken.

  • de consequentieB1

    consequence (implication)

    Zijn keuze heeft grote consequenties voor het gezin.

  • conservatiefB2

    conservative

    Mijn opa heeft vrij conservatieve ideeën.

  • de conservatorB2

    curator

    De conservator koos de werken uit.

  • constantB1

    constant

    Het lawaai van de buren is constant aanwezig.

  • constaterenB1

    constateerde · hebben geconstateerd

    to observe, to find

    De arts constateerde een lichte ontsteking.

  • de constructieB2

    construction, structure

    De constructie van de brug is heel stevig.

  • het consultB1

    consultation

    Een consult duurt ongeveer tien minuten.

  • het consultatiebureauA2

    child health clinic

    Op het consultatiebureau wordt je kind gewogen.

  • de consumentB2

    consumer

    De consument betaalt uiteindelijk de rekening.

  • de consumentenbondB2

    consumers' association

    De consumentenbond testte tien modellen.

  • het consumentenrechtB2

    consumer law

    Het consumentenrecht beschermt je bij een miskoop.

  • het consumentenvertrouwenB2

    consumer confidence

    Het consumentenvertrouwen is licht gestegen.

  • de consumptieB2

    consumption

    De consumptie van huishoudens daalde licht.

  • het contactA1

    contact

    Ik heb nog geen contact met hem gehad.

  • het contactformulierB1

    contact form

    Vul het contactformulier op de website in.

  • de contactlensB2

    contact lens

    Hij draagt liever contactlenzen dan een bril.

  • contactloosB2

    contactless

    Tot vijftig euro betaal je contactloos.

  • de containerB2

    container, bin

    Gooi het glas in de container op de hoek.

  • contantA2

    cash

    Wij nemen geen contant geld aan.

  • de contextB1

    context

    Raad de betekenis van het woord uit de context.

  • het continentB1

    continent

    Afrika is het continent waar mijn ouders vandaan komen.

  • continuB1

    continuously

    Bij de huisarts gaat de telefoon continu.

  • het contractA2

    contract

    Ik heb het contract nog niet getekend.