Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

7809 words · page 137 of 313

  • de kwestieB1

    question, matter, issue

    Het is een kwestie van tijd voordat het verandert.

  • kwetsbaarB1

    vulnerable

    Ouderen zijn een kwetsbare groep.

  • de kwetsbaarheidB2

    vulnerability

    Kwetsbaarheid tonen vraagt moed.

  • kwetsenB1

    kwetste · hebben gekwetst

    to hurt (feelings)

    Die opmerking kwetste haar diep.

  • kwetsendB2

    hurtful, offensive

    Die opmerking was onnodig kwetsend.

  • kwijtA2

    lost, gone

    Ik ben mijn portemonnee kwijt, heb jij hem gezien?

  • kwijtrakenA2separable

    raakte kwijt · zijn kwijtgeraakt

    to lose (mislay)

    Ik ben mijn sleutels weer kwijtgeraakt.

  • de kwitantieB1

    receipt (formal)

    Vraag om een kwitantie bij contante betaling.

  • de laadpaalB1

    charging point

    Bij het station staan laadpalen voor elektrische auto's.

  • laagA1

    low

    De prijs is nu laag.


    de laag

    layer

    Er ligt een dikke laag sneeuw op straat.

  • de laagconjunctuurB2

    economic downturn

    Bij laagconjunctuur stellen bedrijven investeringen uit.

  • de laaggeletterdheidB2

    low literacy

    Laaggeletterdheid komt ook onder Nederlanders voor.

  • de laarsB2

    boot

    Bij regen trek ik mijn rubberen laarzen aan.

  • laatA1

    late

    Sorry dat ik te laat ben.

  • laatstA2

    recently, the other day; last

    Ik zag laatst je broer in de supermarkt.

  • laatsteA1

    last

    Dit is de laatste bus.

  • het labelB2

    label (clothes, brand)

    Lees het label om te zien hoe je de trui wast.

  • het laboratoriumB2

    laboratory

    De proeven vinden plaats in het laboratorium.

  • de lachB2

    laugh, smile

    Met een lach op haar gezicht opende zij de deur.

  • lachenA1irregular

    lachte · lachten · hebben gelachen

    to laugh

    We hebben veel gelachen.

  • de lactose-intolerantieB2

    lactose intolerance

    Bij lactose-intolerantie kies je plantaardige melk.

  • de ladderB2

    ladder

    Zet de ladder stevig neer.

  • de ladeB1

    drawer

    De messen liggen in de bovenste lade.

  • ladenB1irregular

    laadde · laadden · hebben geladen

    to load; to charge

    Laad je telefoon op voordat je vertrekt.

  • de ladingB1

    cargo, load; charge

    De vrachtwagen verloor een deel van zijn lading.