Vocabulary
7824 words · page 107 of 313
het hoofdA1
head
Mijn hoofd doet pijn.
head, manager (of a department)
Het hoofd van de afdeling neemt het besluit.
het hoofdartikelB2
editorial, lead article
Het hoofdartikel ging over de verkiezingen.
de hoofddoekB1
headscarf
Zij draagt een blauwe hoofddoek bij haar jas.
het hoofdgerechtA2
main course
Het hoofdgerecht was vis met groente.
het hoofdkantoorB2
head office
Het hoofdkantoor van de bank staat in Amsterdam.
het hoofdkwartierB2
headquarters
Het hoofdkwartier van de politie staat in de stad.
de hoofdpijnA2
headache
Ik heb de hele dag hoofdpijn.
de hoofdredacteurB1
editor-in-chief
De hoofdredacteur besliste anders.
de hoofdredactieB2
editorial board
De hoofdredactie besliste over de publicatie.
de hoofdrolB2
leading role
Een bekende actrice speelt de hoofdrol in de film.
de hoofdstadA2
capital city
Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.
het hoofdstukB1
chapter
Het derde hoofdstuk is het moeilijkst.
hoofdzakelijkB2
chiefly, predominantly
De klanten van deze winkel zijn hoofdzakelijk ouderen.
de hoofdzinB2
main clause
In de hoofdzin staat het werkwoord op plaats twee.
hoogA1
high, tall
Dat gebouw is heel hoog.
de hoogbegaafdheidB2
giftedness
Ook hoogbegaafdheid vraagt om extra begeleiding.
de hoogconjunctuurB2
economic boom
In een hoogconjunctuur is personeel schaars.
hooggespannenB2
high (of expectations)
De verwachtingen waren hooggespannen.
de hoogleraarB1
professor
De hoogleraar gaf een openbare lezing.
hoogstB2
highly
Dat is hoogst ongebruikelijk.
hoogstensB2
at the most
De reparatie duurt hoogstens een uur.
de hoogteB1
height
De vlieger vliegt op grote hoogte boven het strand.
het hoogtepuntB1
highlight, peak
Het hoogtepunt van de vakantie was de boottocht.
hooguitB1
at most
De reparatie duurt hooguit een uur.
het hoogwaterB1
high water
Bij hoogwater staan de dijken onder druk.

