المفردات
262 كلمة · صفحة 2 من 11
de kantA2
جانب
Aan welke kant van de straat woont u?
het kantoorA2
مكتب
Ons kantoor is vlak bij het station.
het kantoorartikelB2
لوازم مكتبية
De kantoorartikelen worden centraal besteld.
de kantoortuinB2
مكتب مفتوح
In een kantoortuin is het lastig concentreren.
de kantoorurenA2
ساعات الدوام
Bel tijdens kantooruren.
de kanttekeningB2
ملاحظة تحفظية
Bij die conclusie past een kanttekening.
het kapitaalB2
رأس المال
Voor een eigen bedrijf heb je kapitaal nodig.
de kapitaalmarktB2
سوق رأس المال
De rente op de kapitaalmarkt is gestegen.
kapotA2
معطّل، مكسور
Mijn telefoon is kapot, het scherm doet niets meer.
het karakterB1
شخصية، طبع
Zij heeft een sterk en vrolijk karakter.
de kassaA2
صندوق الدفع
Bij de kassa is een lange rij.
de kassabonB2
إيصال الشراء
Bewaar de kassabon voor de garantie.
de kassamedewerkerA2
موظف الصندوق
De kassamedewerker was heel vriendelijk.
het kassasysteemB2
نظام نقاط البيع
Het kassasysteem lag er een uur uit.
de kastA1
خزانة
Je jas hangt in de kast.
de katB2
قطة
De kat slaapt op de vensterbank.
het katernB2
ملحق الصحيفة
Het economische katern verschijnt op zaterdag.
het katoenB2
قطن
Deze trui is van katoen.
het kattenluikB2
باب القطط
Door het kattenluik kan zij zelf naar buiten.
de keelA1
حلق
Ik heb pijn in mijn keel.
de keelpijnA2
التهاب الحلق
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.
de keerA1
مرة
Ik ga twee keer per week sporten.
de kelderA1
قبو
De fietsen staan in de kelder.
kennelijkB2
من الواضح
Hij had de vraag kennelijk niet begrepen.
kennenA1
kende · hebben gekend
يعرف (شخصا)
Ken je die man?

