Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

6551 woorden · pagina 166 van 263

  • de praktijkB1

    practice

    In de praktijk werkt het anders dan op papier.


    (doctor's) practice

    De praktijk van onze huisarts is op maandag dicht.

  • het praktijkexamenB2

    practical exam

    Het praktijkexamen doe je op locatie.

  • praktijkgerichtB2

    practice-oriented

    De opleiding is sterk praktijkgericht.

  • de praktijkondersteunerB2

    practice nurse

    De praktijkondersteuner begeleidt diabetespatiënten.

  • praktischB1

    practical; practically

    Een kleine auto is praktisch in de stad.

  • pratenA1

    praatte · hebben gepraat

    to talk

    We praten straks verder.

  • preciesA1

    exactly, precise

    De trein vertrekt precies om acht uur.

  • de preiA1

    leek

    Doe wat prei in de soep.

  • de premieB1

    premium; bonus

    Mijn premie voor de zorgverzekering is weer omhoog gegaan.

  • de premiebetalingB2

    premium payment

    De premiebetaling loopt via je werkgever.

  • de premierB1

    prime minister

    De premier geeft vanavond een persconferentie.

  • de premièreB2

    premiere

    Bij de première van de film waren veel bekende mensen.

  • de presentatieB1

    presentation

    Ik moet een presentatie geven.

  • presenterenB1

    presenteerde · hebben gepresenteerd

    to present

    Morgen presenteer ik mijn werkstuk voor de klas.

  • de presidentB1

    president

    De president van Frankrijk bezoekt volgende week Nederland.

  • de prestatieB1

    performance, achievement

    De school is trots op de prestaties van de leerlingen.

  • presterenB1

    presteerde · hebben gepresteerd

    to perform

    Onder druk presteert hij juist beter.

  • prettigA2

    pleasant, nice

    Ik vind het prettig om in de ochtend te sporten.

  • de preventieB2

    prevention

    Preventie is goedkoper dan behandeling.

  • preventiefB2

    preventive

    Preventief onderzoek kan levens redden.

  • de priesterB2

    priest

    De priester ging voor in de dienst.

  • de prijsA1

    price

    De prijs staat op het etiket.


    prize, award

    Zij heeft de eerste prijs gewonnen met haar verhaal.

  • de prijsafspraakB1

    price agreement

    We hebben vooraf een prijsafspraak gemaakt.

  • het prijsbeleidB2

    pricing policy

    Het prijsbeleid van de supermarkt veranderde.

  • de prijsindexB2

    price index

    De prijsindex meet de inflatie.