Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

7809 words · page 292 of 313

  • het wachtwoordA2

    password

    Ik ben mijn wachtwoord vergeten.

  • de waddenB2

    the Wadden area

    De wadden vallen bij eb droog.

  • de wagenA2

    cart, wagon; car

    De boer laadt het hooi op de wagen.

  • wakenB2

    waakte · hebben gewaakt

    to watch (over), to keep vigil

    De familie waakte de hele nacht bij het bed van opa.

  • wakkerA1

    awake

    Ik word elke ochtend om zes uur wakker.

  • de walB2

    quay, bank; rampart

    De boot ligt aan de wal bij de sluis.

  • walgelijkB2

    disgusting

    De vuilnisbak stonk echt walgelijk na een week.

  • de walgingB2

    disgust

    De beelden riepen walging op.

  • de wanbetalingB2

    non-payment

    Bij wanbetaling wordt de levering gestopt.

  • de wandB2

    wall (inner side)

    Aan de wand van de woonkamer hangt een groot schilderij.

  • de wandelclubB1

    walking club

    Mijn moeder zit bij een wandelclub.

  • wandelenA1

    wandelde · hebben/zijn gewandeld

    to walk, to stroll

    We gaan zondag wandelen.

  • de wandelingB1

    walk

    We maken elke zondag een wandeling.

  • de wandelrouteB1

    walking route

    Deze wandelroute is tien kilometer lang.

  • de wangA1

    cheek

    Haar wangen zijn rood van de kou.

  • de wanhoopB2

    despair

    Uit wanhoop belde hij de hulplijn.

  • wanhopigB2

    desperate

    Hij zocht wanhopig naar een oplossing.

  • wankelenB2

    wankelde · hebben gewankeld

    to totter, to wobble

    De oude man wankelde en greep zich vast aan de leuning.

  • wanneerA1

    when

    Wanneer begint de les?

  • de wanprestatieB2

    non-performance, default

    Bij wanprestatie kun je de overeenkomst ontbinden.

  • wantA1

    because (coordinating)

    Ik blijf thuis, want ik ben ziek.

  • het wantrouwenB1

    distrust

    Het wantrouwen tegenover de overheid groeit.

  • het wapenB1

    weapon

    In Nederland mag je niet zomaar een wapen hebben.

  • wapenenB1

    wapende · hebben gewapend

    to arm (oneself)

    Je kunt je wapenen tegen griep door gezond te leven.

  • wapperenB2

    wapperde · hebben gewapperd

    to flutter, to wave

    Op Koningsdag wappert de vlag aan veel huizen.