Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

6551 words · page 258 of 263

  • het ziekenhuisbezoekB1

    hospital visit

    Het ziekenhuisbezoek duurde twee uur.

  • de ziekenhuisopnameB1

    hospital admission

    Een ziekenhuisopname was niet nodig.

  • de ziekenhuiszorgB2

    hospital care

    De ziekenhuiszorg wordt geconcentreerd in grote centra.

  • de ziekenverzorgerB2

    nursing aide

    De ziekenverzorger werkt in de nachtdienst.

  • zich ziekmeldenA2separablereflexive

    meldde ziek · hebben ziekgemeld

    to call in sick

    Je moet je voor negen uur ziekmelden.

  • de ziekmeldingB1

    sickness notification

    Doe je ziekmelding voor negen uur.

  • de ziekteA1

    illness, disease

    Het is een ziekte die vaak voorkomt.

  • het ziektebeeldB1

    clinical picture

    Dit ziektebeeld komt vaker voor bij ouderen.

  • de ziektebestrijdingB2

    disease control

    Vaccinatie is een pijler van ziektebestrijding.

  • de ziektekostenB1

    medical expenses

    De ziektekosten worden grotendeels vergoed.

  • het ziektekostenstelselB2

    health insurance system

    Het ziektekostenstelsel werd in 2006 hervormd.

  • de ziektekostenvergoedingB1

    medical cost reimbursement

    Vraag na of je ziektekostenvergoeding krijgt.

  • de ziektepreventieB2

    disease prevention

    Ziektepreventie bespaart op lange termijn geld.

  • het ziekteverloopB2

    course of the illness

    Het ziekteverloop verschilt per patiënt.

  • het ziekteverzuimB2

    sickness absence

    Het ziekteverzuim is dit jaar gedaald.

  • de zielB1

    soul

    Muziek is goed voor de ziel.

  • zieligA2

    pitiful, sad

    Dat kleine katje in de regen is echt zielig.

  • zienA1irregular

    zag · zagen · hebben gezien

    to see

    Ik zie je morgen.

  • de zijdeA2

    silk

    De sjaal is van zijde.


    side

    Aan de andere zijde van de straat staat een apotheek.

  • de zijkantA2

    side (of a building)

    De ingang zit aan de zijkant van het huis.

  • zijnA1irregular

    was · waren · zijn geweest

    to be

    Ik ben blij dat je er bent.


    his

    Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

  • het zilverB1

    silver

    Deze ring is van echt zilver.

  • de zinA2

    sentence

    Schrijf een zin met het woord 'huis'.


    desire, feeling like (zin hebben)

    Ik heb geen zin om vandaag te koken.

  • zingenA2irregular

    zong · zongen · hebben gezongen

    to sing

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zinkenB1irregular

    zonk · zonken · zijn gezonken

    to sink

    Het oude schip zonk in de storm.