Vocabulary
7085 words · page 144 of 284
de mistB1
fog
Door de mist reden de auto's langzaam.
de misvattingB2
misconception
Dat is een veelvoorkomende misvatting.
het misverstandB1
misunderstanding
Het was gewoon een misverstand.
mitsB1
provided that
U mag ruilen, mits u de bon bewaart.
de mobielA2
mobile (phone)
Mag ik even je mobiel gebruiken om te bellen?
de modeB1
fashion
Zij werkt in de mode en ontwerpt kleding.
het modelB1
model
Dit model fiets is licht en niet duur.
modernA2
modern
Ze wonen in een modern huis met grote ramen.
modieusB2
fashionable
Die bril is heel modieus.
moeA1
tired
Ik ben vandaag heel moe.
de moedB1
courage
Het vraagt veel moed om in een nieuw land te beginnen.
de moedeloosheidB2
despondency
Na drie afwijzingen sloeg de moedeloosheid toe.
de moederA1
mother
Mijn moeder woont in Utrecht.
de moedertaalB2
mother tongue
Mijn moedertaal is Arabisch.
moedigA2
brave
Dat was een moedige beslissing.
moeilijkA1
difficult
Nederlands is soms moeilijk.
de moeilijkheidB2
difficulty
Hij had moeilijkheden met de taal in het begin.
de moeiteB1
effort; difficulty
Ik heb moeite met het lezen van lange teksten.
het moerasB2
marsh, swamp
Dit gebied was vroeger moeras.
de moestuinB2
vegetable garden
In de moestuin groeien bonen en sla.
moetenA1irregular
moest · moesten · hebben gemoeten
must, to have to
Ik moet nu weg.
mogelijkA1
possible
Is het mogelijk om later te komen?
de mogelijkheidA2
possibility, option
Er is nog een andere mogelijkheid.
mogenA1irregular
mocht · mochten · hebben gemogen
may, to be allowed to
Mag ik hier zitten?
het molecuulB2
molecule
Een watermolecuul bevat twee waterstofatomen.

