Vocabulary
7824 words · page 100 of 313
de hakB2
heel
Op het feest droeg zij schoenen met hoge hakken.
hakenB1
haakte · hebben gehaakt
to crochet; to hook
Mijn oma haakt een warme deken voor de baby.
hakkenB1
hakte · hebben gehakt
to chop
Hak de ui en de knoflook fijn.
de halA2
hall(way)
Zet je schoenen maar in de hal.
halenA1
haalde · hebben gehaald
to fetch, to get
Ik haal even brood.
halfA1
half
Het is half acht.
halloA1
hello
Hallo, hoe gaat het?
de halsB2
neck, throat
Hij had een sjaal om zijn hals.
het haltB2
halt, stop
De politie riep halt en de man bleef staan.
de halteA2
stop (bus/tram)
De halte is om de hoek.
halverwegeB2
halfway
Halverwege de film viel ik in slaap.
de hamA1
ham
Ik neem een boterham met ham.
de hamerB2
hammer
Sla de spijker met de hamer erin.
de handA1
hand
Was je handen voor het eten.
de handdoekA1
towel
De handdoek hangt in de badkamer.
de handelB1
trade, commerce
De haven van Rotterdam is belangrijk voor de handel.
de handelaarB2
trader, dealer
De handelaar verkoopt groente op de markt.
handelenB1
handelde · hebben gehandeld
to act; to trade
De politie moest snel handelen bij het ongeluk.
de handelingB1
act, action, procedure
Deze handeling mag alleen een arts uitvoeren.
de handelsbalansB2
trade balance
Nederland heeft een positieve handelsbalans.
de handelsgeestB2
commercial spirit
De Nederlandse handelsgeest is spreekwoordelijk.
het handelsoverschotB2
trade surplus
Nederland heeft een groot handelsoverschot.
het handelsregisterB2
commercial register
Elk bedrijf staat in het handelsregister.
het handgebaarB2
hand gesture
Datzelfde handgebaar betekent elders iets anders.
handhavenB1
handhaafde · hebben gehandhaafd
to maintain, to enforce
De politie handhaaft de orde tijdens het feest.

