Je EigenRoute
Sign inRegister

Vocabulary

500 words · page 8 of 20

  • het verkeersplanB1

    traffic plan

    De gemeente presenteerde een nieuw verkeersplan.

  • de verkeersregelB1

    traffic rule

    Fietsers moeten zich ook aan de verkeersregels houden.

  • de verkeerssituatieB1

    traffic situation

    Let goed op de verkeerssituatie.

  • de verkeersstroomB1

    traffic flow

    De verkeersstroom wordt met camera's gemeten.

  • de verkeersveiligheidB1

    road safety

    De gemeente investeert in verkeersveiligheid.

  • verkerenB2

    verkeerde · hebben verkeerd

    to be (in a situation), to find oneself

    Veel gezinnen verkeren in financiële problemen.

  • de verkiezingA2

    election

    De verkiezingen zijn over twee maanden.

  • de verkiezingenB2

    elections

    De verkiezingen zijn in maart.

  • de verkiezingsuitslagB2

    election result

    De verkiezingsuitslag verraste veel analisten.

  • verklarenB2

    verklaarde · hebben verklaard

    to explain; to declare

    De onderzoekers kunnen de stijging nog niet verklaren.

  • de verklaringB2

    statement; explanation

    De getuige legde een verklaring af bij de politie.

  • het verkleinwoordB2

    diminutive

    Een verkleinwoord krijgt altijd 'het'.

  • de verkoopB1

    sale(s)

    De verkoop van elektrische auto's stijgt snel.

  • de verkoopprijsB2

    selling price

    De uiteindelijke verkoopprijs lag hoger.

  • verkopenA1irregular

    verkocht · verkochten · hebben verkocht

    to sell

    Ze verkopen hier verse groente.

  • de verkoperA2

    shop assistant, seller

    De verkoper hielp me met de maat.

  • verkoudenA2

    having a cold

    Ik ben een beetje verkouden.

  • de verkoudheidA2

    a cold

    Een verkoudheid duurt meestal een week.

  • verkrijgenB2irregular

    verkreeg · verkregen · hebben verkregen

    to obtain

    Informatie is te verkrijgen bij de balie.

  • het verlangenB2

    longing, desire

    Hij had een sterk verlangen naar huis.

  • verlatenB1irregular

    verliet · verlieten · hebben verlaten

    to leave (a place)

    Wij verlaten het gebouw via de nooduitgang.

  • het verledenB1

    past

    In het verleden woonden hier vooral boeren.

  • verlegenA2

    shy

    Hij is nogal verlegen bij nieuwe mensen.

  • de verlegenheidB2

    shyness

    Zijn verlegenheid verdwijnt zodra hij over werk praat.

  • verlenenB2

    verleende · hebben verleend

    to grant, to give

    De gemeente verleent een vergunning voor het terras.