Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

305 woorden · pagina 6 van 13

  • de afdelingA2

    department

    Zij werkt op de afdeling verkoop.

  • het afdelingshoofdB2

    head of department

    Het afdelingshoofd tekent voor akkoord.

  • afdingenB2scheidbaaronregelmatig

    dong af · dongen af · hebben afgedongen

    to haggle

    Op een markt mag je afdingen.

  • de afgunstB2

    envy

    Zijn succes wekte afgunst bij collega's.

  • afhankelijkB1

    dependent

    Of we gaan, is afhankelijk van het weer.

  • de afkeerB2

    aversion, dislike

    Hij heeft een sterke afkeer van geweld.

  • de afkeuringB2

    disapproval

    Zijn gedrag wekte brede afkeuring.

  • afkomstigB2

    originating (from)

    Deze groenten zijn afkomstig uit de regio.

  • de afkortingB2

    abbreviation

    Leg elke afkorting de eerste keer uit.

  • afleidenB2scheidbaar

    leidde af · hebben afgeleid

    to infer

    Uit de tekst kun je afleiden dat hij twijfelt.

  • de afleveringB1

    episode

    Heb je de laatste aflevering van die serie gezien?

  • aflopenB1scheidbaaronregelmatig

    liep af · liepen af · zijn afgelopen

    to end, to expire

    Mijn paspoort gaat volgende maand aflopen.

  • aflossenB1scheidbaar

    loste af · hebben afgelost

    to pay off

    We lossen de lening in tien jaar af.

  • de aflossingB2

    repayment

    De aflossing gaat elke maand automatisch af.

  • de aflossingstermijnB1

    repayment term

    De aflossingstermijn is tien jaar.

  • zich afmeldenB1scheidbaarwederkerend

    meldde af · hebben afgemeld

    to cancel one's registration

    Vergeet niet je af te melden als je niet komt.

  • de afnameB2

    decrease

    De afname is het sterkst onder jongeren.

  • afrekenenA2scheidbaar

    rekende af · hebben afgerekend

    to pay (at the till)

    Ik ga even afrekenen.

  • de afscheidsreceptieB2

    farewell reception

    De afscheidsreceptie is vrijdagmiddag.

  • afsluitenB1scheidbaaronregelmatig

    sloot af · sloten af · hebben afgesloten

    to conclude (a contract); to close off; to lock

    Wij hebben een nieuwe zorgverzekering afgesloten.

  • de afsluitingB1

    closing, conclusion

    Als afsluiting bedank je de lezer.

  • de afspraakA2

    appointment

    Ik heb een afspraak om half drie.

  • afsprekenB1scheidbaaronregelmatig

    sprak af · spraken af · hebben afgesproken

    to arrange, to agree

    Zullen we iets afspreken voor vrijdag?

  • de afstandB1

    distance

    De afstand van mijn huis naar het werk is tien kilometer.

  • het afstandsonderwijsB2

    distance learning

    Afstandsonderwijs vraagt veel zelfdiscipline.