Vocabulario
153 palabras · página 6 de 7
voordatB1
antes de que
Was je handen voordat je gaat eten.
waarA1
dónde
Waar woon je?
waardoorB2
por lo cual
Het regende hard, waardoor de wedstrijd niet doorging.
waaromA1
por qué
Waarom kom je niet?
wanneerA1
cuándo
Wanneer begint de les?
wantA1
pues, porque (coordinante)
Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
watA1
qué
Wat doe je?
wegensB2
por motivo de
De winkel is wegens ziekte vandaag gesloten.
welkeA1
cuál, qué
Welke bus moet ik nemen?
welkomA1
bienvenido
Welkom bij ons thuis!
wieA1
quién
Wie is dat?
zelfA1
mismo
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
seis
We eten om zes uur.
zestigA1
sesenta
Mijn vader is zestig geworden.
zevenA1
siete
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
setenta
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zijnA1irregular
was · waren · zijn geweest
ser, estar
Ik ben blij dat je er bent.
su (de él)
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.
zoA1
así
Doe het zo.
zo'nA2
un … así; unos (aprox.)
Ik wil ook zo'n fiets met een mand voorop.
zoalsA2
como
Zoals je weet, zijn wij morgen gesloten.
zodatB2
de modo que
Schrijf duidelijk, zodat iedereen het begrijpt.
zodraB1
en cuanto
Ik bel je zodra ik thuis ben.
zoietsA2
algo así
Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.
zolangB1
mientras (que), siempre que
Je mag hier blijven zolang je wilt.
zonderA1
sin
Koffie zonder suiker, alstublieft.

