Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

145 palabras · página 3 de 6

  • inpakkenA2separable

    pakte in · hebben ingepakt

    empacar; envolver

    Morgen gaan we op vakantie, dus ik moet nog inpakken.

  • inrichtenA2separable

    richtte in · hebben ingericht

    amueblar

    We moeten de woonkamer nog inrichten.

  • zich inschrijvenB1separablereflexivoirregular

    schreef in · schreven in · hebben ingeschreven

    inscribirse

    Je kunt je online inschrijven voor de cursus.

  • instappenA2separable

    stapte in · zijn ingestapt

    subir (a un vehículo)

    U kunt achterin instappen.

  • instemmenB1separable

    stemde in · hebben ingestemd

    estar de acuerdo

    De meerderheid stemde met het voorstel in.

  • invoerenB2separable

    voerde in · hebben ingevoerd

    implantar

    De nieuwe wet wordt volgend jaar ingevoerd.


    introducir (datos)

    Vul het formulier in en voer je gegevens in.

  • invullenA2separable

    vulde in · hebben ingevuld

    rellenar

    Vul het formulier volledig in.

  • inwerkenB1separable

    werkte in · hebben ingewerkt

    formar (a un nuevo empleado)

    Een collega werkt je de eerste week in.

  • inzamelenB1separable

    zamelde in · hebben ingezameld

    recoger, recaudar

    De gemeente komt op dinsdag het oud papier inzamelen.

  • zich inzettenB1separablereflexivo

    zette in · hebben ingezet

    esforzarse por, comprometerse con

    Zij zet zich in voor de buurt.

  • klaarmakenA2separable

    maakte klaar · hebben klaargemaakt

    preparar, dejar listo

    Ik maak het eten klaar.

  • langskomenA2separableirregular

    kwam langs · kwamen langs · zijn langsgekomen

    pasarse por

    Kom je vanavond even langs?

  • liefhebbenB2separableirregular

    had lief · hadden lief · hebben liefgehad

    amar

    Zij had haar vak oprecht lief.

  • meedelenB1separable

    deelde mee · hebben meegedeeld

    comunicar

    Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.

  • meedoenA2separableirregular

    deed mee · deden mee · hebben meegedaan

    participar

    Doe je mee met de cursus?

  • meegaanA2separableirregular

    ging mee · gingen mee · zijn meegegaan

    ir con, acompañar

    Mag ik met jullie meegaan naar het strand?


    durar (cosas)

    Deze schoenen gaan al vijf jaar mee.

  • meemakenA2separable

    maakte mee · hebben meegemaakt

    pasar por (algo)

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2separableirregular

    nam mee · namen mee · hebben meegenomen

    llevar consigo

    Neem je paspoort mee.


    tener en cuenta

    We nemen jouw voorstel mee in het besluit.

  • nadenkenA2separableirregular

    dacht na · dachten na · hebben nagedacht

    reflexionar

    Ik moet er nog even over nadenken.

  • nakijkenA2separableirregular

    keek na · keken na · hebben nagekeken

    corregir

    De docent moet vanavond nog veertig toetsen nakijken.

  • nastrevenB2separable

    streefde na · hebben nagestreefd

    perseguir (un fin)

    Welk doel streef je precies na?

  • navragenB1separableirregular

    vroeg na · vroegen na · hebben nagevraagd

    consultar, averiguar

    Ik zal het even navragen bij de gemeente.

  • omgaanB1separableirregular

    ging om · gingen om · zijn omgegaan

    manejar, tratar (omgaan met)

    Hoe ga je om met stress op je werk?

  • onderduikenB2separableirregular

    dook onder · doken onder · zijn ondergedoken

    esconderse

    Duizenden mensen moesten onderduiken.

  • opbellenA2separable

    belde op · hebben opgebeld

    llamar por teléfono

    Ik bel je morgen op.