Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

145 palabras · página 2 de 6

  • zich afmeldenB1separablereflexivo

    meldde af · hebben afgemeld

    darse de baja

    Vergeet niet je af te melden als je niet komt.

  • afrekenenA2separable

    rekende af · hebben afgerekend

    pagar (en caja)

    Ik ga even afrekenen.

  • afsluitenB1separableirregular

    sloot af · sloten af · hebben afgesloten

    contratar (un seguro); cerrar

    Wij hebben een nieuwe zorgverzekering afgesloten.

  • afsprekenB1separableirregular

    sprak af · spraken af · hebben afgesproken

    quedar, acordar

    Zullen we iets afspreken voor vrijdag?

  • afstuderenB2separable

    studeerde af · zijn afgestudeerd

    graduarse

    Zij hoopt in juni af te studeren.

  • zich afvragenB1separablereflexivoirregular

    vroeg af · vroegen af · hebben afgevraagd

    preguntarse

    Ik vraag me af of dat wel klopt.

  • afwassenA2separableirregular

    waste af · wasten af · hebben afgewassen

    fregar los platos

    Wie wast er vanavond af?

  • afwijzenB1separableirregular

    wees af · wezen af · hebben afgewezen

    rechazar, denegar

    Mijn aanvraag is afgewezen.

  • afzeggenA2separableirregular

    zei af · zeiden af · hebben afgezegd

    cancelar (una cita)

    Ik moet de afspraak bij de tandarts afzeggen.

  • zich bezighoudenB1separablereflexivoirregular

    hield bezig · hielden bezig · hebben beziggehouden

    ocuparse de, dedicarse a

    Zij houdt zich bezig met vrijwilligerswerk.

  • bijkomenB1separableirregular

    kwam bij · kwamen bij · zijn bijgekomen

    reponerse

    Ik ben nog aan het bijkomen van de reis.

  • deelnemenB1separableirregular

    nam deel · namen deel · hebben deelgenomen

    participar

    Iedereen kan aan de cursus deelnemen.

  • doorgaanB1separableirregular

    ging door · gingen door · zijn doorgegaan

    celebrarse; continuar

    Door de regen kan de markt vandaag niet doorgaan.

  • doorgevenB1separableirregular

    gaf door · gaven door · hebben doorgegeven

    transmitir

    Kun je dat aan je collega doorgeven?


    comunicar, notificar (datos)

    Geef een adreswijziging door aan de gemeente.

  • doorgroeienB2separable

    groeide door · zijn doorgegroeid

    progresar profesionalmente

    Binnen dit bedrijf kun je snel doorgroeien.

  • doorschakelenB2separable

    schakelde door · hebben doorgeschakeld

    pasar la llamada

    Ik schakel u door naar mijn collega.

  • doorverbindenB1separableirregular

    verbond door · verbonden door · hebben doorverbonden

    pasar la llamada

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • doorverwijzenB1separableirregular

    verwees door · verwezen door · hebben doorverwezen

    derivar

    De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.

  • doorvragenB2separableirregular

    vroeg door · vroegen door · hebben doorgevraagd

    repreguntar

    Door goed door te vragen kwam de waarheid boven.

  • eruitzienA2separableirregular

    zag eruit · zagen eruit · hebben eruitgezien

    parecer, tener aspecto

    Weet jij hoe de nieuwe buurman eruitziet?

  • geruststellenB2separable

    stelde gerust · hebben gerustgesteld

    tranquilizar

    De arts stelde de ouders gerust.

  • hardlopenB1separableirregular

    liep hard · liepen hard · hebben hardgelopen

    correr (deporte), hacer footing

    's Ochtends ga ik hardlopen in het park.

  • inhalenB1separable

    haalde in · hebben ingehaald

    adelantar

    Hier mag je niet inhalen.


    recuperar (lo perdido)

    Ze moet de gemiste lessen nog inhalen.

  • inleverenA2separable

    leverde in · hebben ingeleverd

    entregar (un trabajo)

    Je moet je huiswerk voor vrijdag inleveren.

  • inloggenA2separable

    logde in · hebben ingelogd

    iniciar sesión

    Log in met je e-mailadres.