Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

4398 palabras · página 162 de 176

  • de vraagprijsB2

    precio de salida

    De vraagprijs is niet realistisch.

  • de vraagstellingB1

    planteamiento de la pregunta

    Let goed op de vraagstelling van de opdracht.

  • de vrachtwagenA2

    camión

    Een grote vrachtwagen staat midden op de straat.

  • de vrachtwagenchauffeurB2

    camionero

    Er is een tekort aan vrachtwagenchauffeurs.

  • de vredeB1

    paz

    Iedereen wil in vrede en veiligheid leven.

  • de vredesmissieB2

    misión de paz

    Nederland nam deel aan de vredesmissie.

  • de vreugdeB2

    alegría, júbilo

    De geboorte van de baby bracht veel vreugde.

  • de vriendA1

    amigo

    Hij is een goede vriend van mij.


    novio, pareja

    Ze woont samen met haar vriend in Utrecht.

  • de vriendelijkheidB2

    amabilidad

    Zijn vriendelijkheid viel meteen op.

  • de vriendenkringB2

    círculo de amigos

    Zijn vriendenkring is klein maar hecht.

  • de vriendinA1

    amiga, novia

    Mijn vriendin komt uit Spanje.

  • de vriendschapA1

    amistad

    Onze vriendschap duurt al twintig jaar.

  • de vriezerA2

    congelador

    Het brood ligt in de vriezer.

  • de vrijdagA1

    viernes

    Vrijdag werk ik thuis.

  • de vrijetijdsbestedingB1

    ocio, pasatiempo

    Sport is zijn favoriete vrijetijdsbesteding.

  • de vrijheidA2

    libertad

    Vrijheid van meningsuiting kent grenzen.

  • de vrijstellingB2

    convalidación

    Met dit certificaat krijg je vrijstelling.

  • de vrijwilligerA2

    voluntario

    Zij werkt als vrijwilliger bij de voedselbank.

  • de vrijwilligersorganisatieB2

    organización de voluntariado

    De vrijwilligersorganisatie zoekt nieuwe leden.

  • het vrijwilligerswerkB1

    voluntariado

    Zij doet vrijwilligerswerk in het buurthuis.

  • de vroegopsporingB2

    detección precoz

    Vroegopsporing verhoogt de overlevingskans.

  • de vrolijkheidB2

    alegría

    De opmerking zorgde voor vrolijkheid.

  • de vrouwA1

    mujer

    De vrouw leest een boek.


    esposa

    Mijn vrouw werkt bij de gemeente.

  • de vruchtB2

    fruto

    De boom draagt elk jaar veel vruchten.

  • de vruchtbaarheidB2

    fertilidad

    De vruchtbaarheid neemt af met de leeftijd.