Vocabulario
3981 palabras · página 156 de 160
de zaakB1
negocio; asunto
Mijn oom heeft een eigen zaak in het centrum.
de zakA1
bolsillo; bolsa
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zakkenB1
zakte · zijn gezakt
suspender
Hij is helaas gezakt voor het examen.
de zakken
bolsas, sacos (plural de zak)
Hij zet de zakken met oud papier bij de container.
de zalfA2
pomada
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
de zalmB2
salmón
Zalm trekt de rivier op om te paaien.
de zandbankB2
banco de arena
Het schip liep op een zandbank.
de zandgrondB2
suelo arenoso
Zandgrond droogt sneller uit.
de zaterdagA1
sábado
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
paso de cebra
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
mar
De zee is vandaag onrustig.
de zeearmB2
brazo de mar
De zeearm werd afgesloten met een dam.
de zeefB2
colador
Giet de pasta af in een zeef.
de zeepA1
jabón
Was je handen met zeep.
de zeespiegelB2
nivel del mar
De zeespiegel stijgt langzaam.
de zeespiegelstijgingB2
subida del nivel del mar
Zeespiegelstijging bedreigt laaggelegen landen.
de zeevaartB2
navegación marítima
De zeevaart bracht het land welvaart.
het zelfbeeldB2
autoimagen
Sociale media beïnvloeden het zelfbeeld van jongeren.
de zelfbeheersingB2
autocontrol
Hij verloor even zijn zelfbeheersing.
de zelfredzaamheidB2
autonomía personal
De zorg is gericht op zelfredzaamheid van de patiënt.
de zelfscankassaB2
caja de autopago
Bij de zelfscankassa is bijna nooit rij.
de zelfspotB2
autoironía
Zelfspot maakt iemand sympathiek.
de zelfstandigeB2
trabajador autónomo
Als zelfstandige regel je je eigen pensioen.
de zelfstandigheidB1
autonomía
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
de zelfstudieB1
autoaprendizaje
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
het zelfvertrouwenB2
confianza en uno mismo
Door de cursus kreeg ze meer zelfvertrouwen.

