Vocabulario
Filtros2
8 palabras · página 1 de 1
vaststellenB2separable
stelde vast · hebben vastgesteld
constatar
Wij stellen vast dat er niets is veranderd.
volhoudenB2separableirregular
hield vol · hielden vol · hebben volgehouden
aguantar, seguir adelante
Het is zwaar, maar hij houdt vol.
voorbereidenA2separable
bereidde voor · hebben voorbereid
preparar (algo)
We bereiden de vergadering samen voor.
zich voorbereidenreflexivo
prepararse
Ik bereid me voor op het examen.
zich voordoenB2separablereflexivoirregular
deed voor · deden voor · hebben voorgedaan
presentarse, surgir (una situación)
Als zich een probleem voordoet, bel ons dan.
voorkomenA1separableirregular
kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen
ocurrir, darse
Dat probleem komt hier vaak voor.
voorlezenA2separableirregular
las voor · lazen voor · hebben voorgelezen
leer en voz alta
Wil je mij de brief van de school even voorlezen?
voorstellenB1separable
stelde voor · hebben voorgesteld
proponer, sugerir
Mag ik een andere datum voorstellen?
presentar; imaginarse (zich voorstellen)
Mag ik me even voorstellen? Ik ben Sara.
voorzittenB2separableirregular
zat voor · zaten voor · hebben voorgezeten
presidir
Zij zal de vergadering voorzitten.

