Vocabulario
Filtros2
11 palabras · página 1 de 1
verantwoordenB1
verantwoordde · hebben verantwoord
justificar (una decisión)
Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.
zich verantwoordenreflexivo
rendir cuentas
Hij moest zich verantwoorden tegenover de directie.
zich vergissenB1reflexivo
vergiste · hebben vergist
equivocarse
Sorry, ik heb me vergist in de datum.
zich verheugenB2reflexivo
verheugde · hebben verheugd
alegrarse por anticipado
Wij verheugen ons op uw komst.
zich verontschuldigenB2reflexivo
verontschuldigde · hebben verontschuldigd
disculparse
Hij verontschuldigde zich voor de vertraging.
zich verslapenA2reflexivoirregular
versliep · versliepen · hebben verslapen
quedarse dormido
Ik heb me verslapen en kwam te laat.
zich vervelenA2reflexivo
verveelde · hebben verveeld
aburrirse
De kinderen vervelen zich in de vakantie.
verzettenA2
verzette · hebben verzet
cambiar de fecha (una cita)
Kunnen we de afspraak naar vrijdag verzetten?
zich verzettenreflexivo
oponerse, resistirse
Veel bewoners verzetten zich tegen het plan.
zich vestigenA2reflexivo
vestigde · hebben gevestigd
establecerse
Veel jonge gezinnen vestigen zich in deze wijk.
voelenA1
voelde · hebben gevoeld
sentir (algo)
Ik voel de wind in mijn gezicht.
zich voelenreflexivo
sentirse
Ik voel me vandaag beter.
voorbereidenA2separable
bereidde voor · hebben voorbereid
preparar (algo)
We bereiden de vergadering samen voor.
zich voorbereidenreflexivo
prepararse
Ik bereid me voor op het examen.
zich voordoenB2separablereflexivoirregular
deed voor · deden voor · hebben voorgedaan
presentarse, surgir (una situación)
Als zich een probleem voordoet, bel ons dan.

