Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

38 palabras · página 1 de 2

  • vallenA1irregular

    viel · vielen · zijn gevallen

    caer

    Pas op, je valt bijna.


    caer (en una fecha)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • vangenB1irregular

    ving · vingen · hebben gevangen

    atrapar, coger

    Mijn zoon ving de bal met één hand.

  • vechtenB1irregular

    vocht · vochten · hebben gevochten

    pelear, luchar

    De twee jongens vechten op het schoolplein.

  • verbergenB1irregular

    verborg · verborgen · hebben verborgen

    esconder, ocultar

    Het kind verbergt het cadeau onder zijn bed.

  • verbiedenA2irregular

    verbood · verboden · hebben verboden

    prohibir

    Roken is in het gebouw verboden.

  • verbindenB1irregular

    verbond · verbonden · hebben verbonden

    conectar, unir

    Deze brug verbindt de twee delen van de stad.

  • verblijvenB2irregular

    verbleef · verbleven · hebben verbleven

    alojarse, residir

    Tijdens de cursus verblijven de deelnemers in een hotel.

  • verdragenB2irregular

    verdroeg · verdroegen · hebben verdragen

    soportar, aguantar

    Ik kan de hitte in de zomer slecht verdragen.

  • verdwijnenB1irregular

    verdween · verdwenen · zijn verdwenen

    desaparecer

    Mijn sleutels zijn plotseling uit mijn tas verdwenen.

  • vergelijkenA2irregular

    vergeleek · vergeleken · hebben vergeleken

    comparar

    Vergelijk beide teksten met elkaar.

  • vergetenA1irregular

    vergat · vergaten · hebben vergeten

    olvidar

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • vergevenB2irregular

    vergaf · vergaven · hebben vergeven

    perdonar

    Zij heeft het hem nooit vergeven.

  • verkopenA1irregular

    verkocht · verkochten · hebben verkocht

    vender

    Ze verkopen hier verse groente.

  • verkrijgenB2irregular

    verkreeg · verkregen · hebben verkregen

    obtener, conseguir

    Informatie is te verkrijgen bij de balie.

  • verlatenB1irregular

    verliet · verlieten · hebben verlaten

    abandonar, salir de

    Wij verlaten het gebouw via de nooduitgang.

  • verliezenA2irregular

    verloor · verloren · hebben/zijn verloren

    perder

    Ons team heeft de wedstrijd met twee tegen één verloren.

  • verlopenB1irregular

    verliep · verliepen · zijn verlopen

    caducar, vencer; transcurrir

    Mijn verblijfsvergunning is vorige maand verlopen.

  • vermijdenA2irregular

    vermeed · vermeden · hebben vermeden

    evitar

    Probeer de spits te vermijden.

  • verschijnenB1irregular

    verscheen · verschenen · zijn verschenen

    aparecer; publicarse

    Het nieuwe boek verschijnt volgende maand in de winkels.

  • verslaanB1irregular

    versloeg · versloegen · hebben verslagen

    derrotar, vencer

    Ons team versloeg de kampioen met drie doelpunten.

  • zich verslapenA2reflexivoirregular

    versliep · versliepen · hebben verslapen

    quedarse dormido

    Ik heb me verslapen en kwam te laat.

  • vertrekkenA2irregular

    vertrok · vertrokken · zijn vertrokken

    salir, partir

    De trein vertrekt over vijf minuten.

  • vervangenB1irregular

    verving · vervingen · hebben vervangen

    reemplazar, sustituir

    De monteur moet de kapotte lamp vervangen.

  • verwijtenB2irregular

    verweet · verweten · hebben verweten

    reprochar

    Zij verwijt hem zijn stilzwijgen.

  • verwijzenA2irregular

    verwees · verwezen · hebben verwezen

    referirse

    De auteur verwijst naar eerder onderzoek.