Vocabulario
6 palabras · página 1 de 1
samenA1
juntos
We eten samen om zes uur.
sindsdienB1
desde entonces
Hij is in 2020 verhuisd en sindsdien woont hij in Breda.
slechtsB1
solo, únicamente
De cursus duurt slechts twee weken.
somsA1
a veces
Soms neem ik de bus.
steedsA2
cada vez más; siempre
Het wordt steeds drukker op de weg.
straksA1
luego
Ik bel je straks even terug.

