Vocabulario
44 palabras · página 2 de 2
staanA1irregular
stond · stonden · hebben gestaan
estar de pie
De auto staat voor het huis.
poner, decir (en un texto)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
standaardiserenB2
standaardiseerde · hebben gestandaardiseerd
estandarizar
We willen de werkwijze standaardiseren.
stappenA2
stapte · hebben/zijn gestapt
dar un paso; subir (a)
Hij stapte snel in de auto en reed weg.
starenB2
staarde · hebben gestaard
mirar fijamente
Zij staarde uit het raam.
startenA2
startte · hebben/zijn gestart
arrancar; poner en marcha
Mijn auto wil vanochtend door de kou niet starten.
stekenB1irregular
stak · staken · hebben gestoken
picar; meter
Pas op, die bijen kunnen steken.
stelenA2irregular
stal · stalen · hebben gestolen
robar
Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.
stellenB1
stelde · hebben gesteld
plantear, hacer (una pregunta)
Mag ik u een paar vragen stellen?
stemmenA2
stemde · hebben gestemd
votar
Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.
stervenB1irregular
stierf · stierven · zijn gestorven
morir
Veel bomen sterven door de droge zomers.
steunenB1
steunde · hebben gesteund
apoyar
Mijn familie steunt mij in alles wat ik doe.
stijgenB1irregular
steeg · stegen · zijn gestegen
subir, aumentar
De prijzen van boodschappen stijgen elk jaar.
stofzuigenA2
stofzuigde · hebben gestofzuigd
pasar la aspiradora
Ik stofzuig één keer per week.
stoppenA1
stopte · hebben/zijn gestopt
parar, dejar de
Hij is gestopt met roken.
stovenB2
stoofde · hebben gestoofd
estofar
Laat het vlees twee uur stoven.
strevenB2
streefde · hebben gestreefd
aspirar a
Wij streven naar een oplossing voor het eind van het jaar.
stromenB1
stroomde · hebben/zijn gestroomd
fluir, correr
Het water stroomt van de berg naar het dal.
studerenB1
studeerde · hebben gestudeerd
estudiar
Ik studeer elke avond twee uur.
sturenA1
stuurde · hebben gestuurd
enviar
Ik stuur je vanavond een bericht.

