Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

10 palabras · página 1 de 1

  • maalB1

    por (×)

    Drie maal vier is twaalf, dat weet elk kind.

  • maarA1

    pero

    Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.

  • meerA1

    más

    Ik heb meer tijd nodig.


    het meer

    lago

    In de zomer zwemmen we in het meer.

  • meerdereB1

    varios

    Er zijn meerdere manieren om dit probleem op te lossen.

  • meesteA1

    la mayoría

    De meeste mensen komen met de fiets.

  • menB1

    se (impersonal), uno

    Men zegt dat het morgen gaat sneeuwen.

  • metA1

    con

    Ik ga met de fiets.

  • miljardB1

    mil millones

    De overheid geeft miljarden uit aan de zorg.

  • miljoenA2

    millón

    Nederland heeft bijna achttien miljoen inwoners.

  • mitsB2

    siempre que

    U mag ruilen, mits u de bon bewaart.