Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

31 palabras · página 1 de 2

  • dalenB1

    daalde · zijn gedaald

    bajar, descender

    De prijs van benzine is deze maand gedaald.

  • dankenB1

    dankte · hebben gedankt

    agradecer; deber (a)

    Ik wil iedereen danken voor de hulp bij de verhuizing.

  • dansenA2

    danste · hebben gedanst

    bailar

    Op het feest werd er gedanst.

  • deelnemenB1separableirregular

    nam deel · namen deel · hebben deelgenomen

    participar

    Iedereen kan aan de cursus deelnemen.

  • delegerenB1

    delegeerde · hebben gedelegeerd

    delegar

    Een goede leidinggevende kan delegeren.

  • delenA1

    deelde · hebben gedeeld

    compartir, dividir

    We delen de kosten samen.

  • denkenA1irregular

    dacht · dachten · hebben gedacht

    pensar

    Ik denk dat het goed komt.

  • dienenB2

    diende · hebben gediend

    servir; deber (formal)

    Formulieren dienen voor vrijdag ingeleverd te worden.

  • doenA1irregular

    deed · deden · hebben gedaan

    hacer

    Wat doe je in het weekend?

  • doorgaanB1separableirregular

    ging door · gingen door · zijn doorgegaan

    celebrarse; continuar

    Door de regen kan de markt vandaag niet doorgaan.

  • doorgevenB1separableirregular

    gaf door · gaven door · hebben doorgegeven

    transmitir

    Kun je dat aan je collega doorgeven?


    comunicar, notificar (datos)

    Geef een adreswijziging door aan de gemeente.

  • doorgroeienB2separable

    groeide door · zijn doorgegroeid

    progresar profesionalmente

    Binnen dit bedrijf kun je snel doorgroeien.

  • doorschakelenB2separable

    schakelde door · hebben doorgeschakeld

    pasar la llamada

    Ik schakel u door naar mijn collega.

  • doorstaanB2irregular

    doorstond · doorstonden · hebben doorstaan

    sobrellevar

    Hij heeft een zware periode doorstaan.

  • doorverbindenB1separableirregular

    verbond door · verbonden door · hebben doorverbonden

    pasar la llamada

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • doorverwijzenB1separableirregular

    verwees door · verwezen door · hebben doorverwezen

    derivar

    De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.

  • doorvragenB2separableirregular

    vroeg door · vroegen door · hebben doorgevraagd

    repreguntar

    Door goed door te vragen kwam de waarheid boven.

  • doublerenB2

    doubleerde · hebben gedoubleerd

    repetir el curso

    Hij moest de derde klas doubleren.

  • downloadenA2

    downloadde · hebben gedownload

    descargar

    Download de app op je telefoon.

  • draaienA2

    draaide · hebben gedraaid

    girar, dar vueltas

    Draai de sleutel twee keer om in het slot.

  • dragenA1irregular

    droeg · droegen · hebben gedragen

    llevar (puesto); cargar

    Hij draagt een zwarte jas.

  • dreigenA2

    dreigde · hebben gedreigd

    amenazar

    Hij dreigde met een rechtszaak.

  • drijvenB2irregular

    dreef · dreven · hebben/zijn gedreven

    flotar

    Er drijft een plastic fles op het water.

  • drinkenA1irregular

    dronk · dronken · hebben gedronken

    beber

    Wat wil je drinken?

  • drogenA2

    droogde · hebben/zijn gedroogd

    secar; secarse

    Ik hang de was buiten om te drogen.