Vocabulario
14 palabras · página 1 de 1
deelnemenB1separableirregular
nam deel · namen deel · hebben deelgenomen
participar
Iedereen kan aan de cursus deelnemen.
denkenA1irregular
dacht · dachten · hebben gedacht
pensar
Ik denk dat het goed komt.
doenA1irregular
deed · deden · hebben gedaan
hacer
Wat doe je in het weekend?
doorgaanB1separableirregular
ging door · gingen door · zijn doorgegaan
celebrarse; continuar
Door de regen kan de markt vandaag niet doorgaan.
doorgevenB1separableirregular
gaf door · gaven door · hebben doorgegeven
transmitir
Kun je dat aan je collega doorgeven?
comunicar, notificar (datos)
Geef een adreswijziging door aan de gemeente.
doorstaanB2irregular
doorstond · doorstonden · hebben doorstaan
sobrellevar
Hij heeft een zware periode doorstaan.
doorverbindenB1separableirregular
verbond door · verbonden door · hebben doorverbonden
pasar la llamada
Ik verbind u door met de juiste afdeling.
doorverwijzenB1separableirregular
verwees door · verwezen door · hebben doorverwezen
derivar
De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.
doorvragenB2separableirregular
vroeg door · vroegen door · hebben doorgevraagd
repreguntar
Door goed door te vragen kwam de waarheid boven.
dragenA1irregular
droeg · droegen · hebben gedragen
llevar (puesto); cargar
Hij draagt een zwarte jas.
drijvenB2irregular
dreef · dreven · hebben/zijn gedreven
flotar
Er drijft een plastic fles op het water.
drinkenA1irregular
dronk · dronken · hebben gedronken
beber
Wat wil je drinken?
duikenB1irregular
dook · doken · hebben/zijn gedoken
bucear, zambullirse
De jongens duiken van de brug in het water.
dwingenB1irregular
dwong · dwongen · hebben gedwongen
obligar, forzar
Niemand kan je dwingen om te stoppen met je studie.

