Vocabulario
73 palabras · página 3 de 3
bevestigenB1
bevestigde · hebben bevestigd
confirmar
Kunt u de afspraak per mail bevestigen?
zich bevindenB2reflexivoirregular
bevond · bevonden · hebben bevonden
encontrarse, estar situado
De ingang bevindt zich aan de achterkant van het gebouw.
bewarenA2
bewaarde · hebben bewaard
guardar
Bewaar deze brief goed.
bewegenB1irregular
bewoog · bewogen · hebben bewogen
moverse, hacer ejercicio
Probeer elke dag genoeg te bewegen.
bewerenA2
beweerde · hebben beweerd
afirmar
Hij beweert dat hij niets wist.
bewijzenB2irregular
bewees · bewezen · hebben bewezen
demostrar, probar
De politie kan niet bewijzen dat hij de dief is.
bewonderenB2
bewonderde · hebben bewonderd
admirar
Ik bewonder zijn doorzettingsvermogen.
zich bezighoudenB1separablereflexivoirregular
hield bezig · hielden bezig · hebben beziggehouden
ocuparse de, dedicarse a
Zij houdt zich bezig met vrijwilligerswerk.
bezittenB2irregular
bezat · bezaten · hebben bezeten
poseer
Mijn ouders bezitten een klein huis aan zee.
bezoekenA2irregular
bezocht · bezochten · hebben bezocht
visitar
We bezoeken zondag mijn ouders.
bezorgenA2
bezorgde · hebben bezorgd
entregar
Ze bezorgen het pakket morgen.
biddenB1irregular
bad · baden · hebben gebeden
rezar
Mijn grootmoeder bidt elke avond voor het slapen.
biedenB1irregular
bood · boden · hebben geboden
ofrecer, brindar
De gemeente biedt hulp bij het zoeken naar werk.
bijkomenB1separableirregular
kwam bij · kwamen bij · zijn bijgekomen
reponerse
Ik ben nog aan het bijkomen van de reis.
bindenB2irregular
bond · bonden · hebben gebonden
atar
Bind de fiets goed vast aan het hek.
blijkenB1irregular
bleek · bleken · zijn gebleken
resultar
Het bleek dat niemand de sleutel had.
blijvenA1irregular
bleef · bleven · zijn gebleven
quedarse
Blijf je vanavond eten?
blokkerenB2
blokkeerde · hebben geblokkeerd
bloquear
Zij blokkeerde het account meteen.
blozenB2
bloosde · hebben gebloosd
sonrojarse
Zij bloosde bij het compliment.
bouwenA2
bouwde · hebben gebouwd
construir
Hier gaan ze honderd nieuwe woningen bouwen.
bradenB2irregular
braadde · braadden · hebben gebraden
asar, dorar
Braad het vlees kort aan.
brekenA2irregular
brak · braken · hebben/zijn gebroken
romper
Ze is gevallen en heeft haar arm gebroken.
brengenA1irregular
bracht · brachten · hebben gebracht
llevar, traer
Ik breng de kinderen naar school.

