Woordenschat
13 woorden · pagina 1 van 1
naartoeA2
to (a place), where to
Waar ga je in de zomervakantie naartoe?
namelijkA2
namely, you see
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
natuurlijkA1
natural; of course
Dit is een natuurlijk product.
nauwelijksB2
hardly
Er is nauwelijks tijd over.
neerB1
down
Hij liep de hele dag op en neer in de gang.
nergensA2
nowhere
Ik kan het nergens vinden.
netA1
just (a moment ago)
Hij is net weggegaan.
nogA1
still, yet
Ik ben nog niet klaar.
nogalB1
rather, quite (informal)
Het was nogal druk in de stad vandaag.
nogmaalsA1
once again
Nogmaals bedankt voor je hulp.
nooitA1
never
Ik drink nooit alcohol.
nouA2
well (interjection)
Nou, dan zie ik je morgen wel.
nuA1
now
Ik heb nu geen tijd.

