Woordenschat
76 woorden · pagina 1 van 4
de faalangstB2
fear of failure
Door faalangst presteert hij onder zijn niveau.
de factcheckB2
fact check
Na een factcheck bleek de bewering onjuist.
de factuurA2
invoice
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
het factuurnummerB2
invoice number
Vermeld altijd het factuurnummer bij de betaling.
de faculteitB2
faculty
Hij studeert aan de faculteit rechten.
het faillissementB2
bankruptcy
Na het faillissement verloren dertig mensen hun baan.
de familieA1
family
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
family visit
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
family member
Er komt een familielid op bezoek.
de fanA2
fan
Mijn zoon is een grote fan van deze voetballer.
de faseB2
phase, stage
Het project zit nu in de laatste fase.
februariA1
February
In februari is het meestal koud.
het feestA1
party
Zaterdag is er een feest.
de feestdagB1
public holiday
Op feestdagen zijn de winkels dicht.
het feitA1
fact
Scheid feiten van meningen.
de felicitatieB2
congratulations
Mijn felicitaties met je diploma.
het festivalA2
festival
Elke zomer is er een festival in het park.
de fietsA2
bicycle
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
de fietsenstallingA2
bicycle parking
Zet je fiets in de fietsenstalling.
de fietserA2
cyclist
Let goed op de fietser als je rechts afslaat.
het fietspadB1
cycle path
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
de fietspompA2
bicycle pump
Heb je een fietspomp voor me?
de fietsrouteA2
cycle route
Deze fietsroute gaat door het bos.
het fietsslotA2
bike lock
Vergeet je fietsslot niet.
de fietsstrookB2
cycle lane
De fietsstrook is te smal.

