Woordenschat
30 woorden · pagina 2 van 2
blijkenB1onregelmatig
bleek · bleken · zijn gebleken
to turn out, to appear
Het bleek dat niemand de sleutel had.
blijvenA1onregelmatig
bleef · bleven · zijn gebleven
to stay
Blijf je vanavond eten?
bradenB2onregelmatig
braadde · braadden · hebben gebraden
to roast, to fry
Braad het vlees kort aan.
brekenA2onregelmatig
brak · braken · hebben/zijn gebroken
to break
Ze is gevallen en heeft haar arm gebroken.
brengenA1onregelmatig
bracht · brachten · hebben gebracht
to bring, to take
Ik breng de kinderen naar school.

