Vocabulario
Filtros1
104 palabras · página 1 de 5
aanbiedenA2separableirregular
bood aan · boden aan · hebben aangeboden
ofrecer
Zij bood aan om te helpen.
aandringenB1separableirregular
drong aan · drongen aan · hebben aangedrongen
insistir
Hij bleef aandringen op een antwoord.
aangevenB1separableirregular
gaf aan · gaven aan · hebben aangegeven
indicar; denunciar
Geef op het formulier aan of u allergieën heeft.
zich aankledenA2separablereflexivo
kleedde aan · hebben aangekleed
vestirse
Ik kleed me snel aan en ga naar mijn werk.
aankomenA2separableirregular
kwam aan · kwamen aan · zijn aangekomen
llegar
Wij komen om acht uur aan.
engordar
Sinds de winter is hij vijf kilo aangekomen.
zich aanmeldenB1separablereflexivo
meldde aan · hebben aangemeld
darse de alta
U kunt zich online aanmelden.
aannemenB1separableirregular
nam aan · namen aan · hebben aangenomen
contratar; aceptar; suponer
Het bedrijf neemt dit jaar tien nieuwe mensen aan.
suponer
Ik neem aan dat je morgen ook komt.
aanpassenA2separable
paste aan · hebben aangepast
ajustar, adaptar (algo)
We passen het rooster aan de vakantie aan.
zich aanpassenreflexivo
adaptarse
Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.
aanradenB1separableirregular
raadde aan · raadden aan · hebben aangeraden
recomendar
Ik raad je aan om vroeg te komen.
aanrakenA2separable
raakte aan · hebben aangeraakt
tocar
Raak de hete pan niet aan.
aansprekenB1separableirregular
sprak aan · spraken aan · hebben aangesproken
dirigirse a, llamar la atención
Ik durfde hem er niet op aan te spreken.
aansturenB1separable
stuurde aan · hebben aangestuurd
dirigir
Zij stuurt een team van acht mensen aan.
aanvragenB1separableirregular
vroeg aan · vroegen aan · hebben aangevraagd
solicitar
Je kunt de toeslag online aanvragen.
aanvullenB1separable
vulde aan · hebben aangevuld
completar, añadir
Wil iemand dat nog aanvullen?
aflopenB1separableirregular
liep af · liepen af · zijn afgelopen
terminar, caducar
Mijn paspoort gaat volgende maand aflopen.
aflossenB1separable
loste af · hebben afgelost
amortizar
We lossen de lening in tien jaar af.
zich afmeldenB1separablereflexivo
meldde af · hebben afgemeld
darse de baja
Vergeet niet je af te melden als je niet komt.
afrekenenA2separable
rekende af · hebben afgerekend
pagar (en caja)
Ik ga even afrekenen.
afsluitenB1separableirregular
sloot af · sloten af · hebben afgesloten
contratar (un seguro); cerrar
Wij hebben een nieuwe zorgverzekering afgesloten.
afsprekenB1separableirregular
sprak af · spraken af · hebben afgesproken
quedar, acordar
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
zich afvragenB1separablereflexivoirregular
vroeg af · vroegen af · hebben afgevraagd
preguntarse
Ik vraag me af of dat wel klopt.
afwassenA2separableirregular
waste af · wasten af · hebben afgewassen
fregar los platos
Wie wast er vanavond af?
afwijzenB1separableirregular
wees af · wezen af · hebben afgewezen
rechazar, denegar
Mijn aanvraag is afgewezen.
afzeggenA2separableirregular
zei af · zeiden af · hebben afgezegd
cancelar (una cita)
Ik moet de afspraak bij de tandarts afzeggen.
zich bezighoudenB1separablereflexivoirregular
hield bezig · hielden bezig · hebben beziggehouden
ocuparse de, dedicarse a
Zij houdt zich bezig met vrijwilligerswerk.

