Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

102 palabras · página 1 de 5

  • aanA1

    en, a

    De foto hangt aan de muur.

  • achtA1

    ocho

    Ik begin om acht uur.

  • achterA1

    detrás

    De tuin ligt achter het huis.

  • allebeiA1

    ambos

    Wij werken allebei fulltime.

  • allemaalA1

    todos

    We gaan allemaal mee.

  • allesA1

    todo

    Alles is klaar.

  • alsA1

    si, cuando

    Als het regent, blijven we binnen.

  • alsjeblieftA1

    por favor; aquí tienes

    Hier is je koffie, alsjeblieft.

  • bijA1

    en casa de, cerca de

    Ik ben bij de dokter.

  • de dagA1

    día

    Elke dag ga ik naar mijn werk.


    hola; adiós

    Dag mevrouw, kan ik u helpen?

  • danA1

    entonces, luego

    Eerst eten, dan afwassen.

  • dankjewelA1

    gracias

    Dankjewel voor je hulp.

  • datA1

    que (conjunción)

    Ik denk dat de trein vandaag later komt.

  • derdeA1

    tercero

    Hij werd derde in de wedstrijd.

  • dertigA1

    treinta

    Ik ben dertig jaar oud.

  • doeiA1

    chao

    Doei, tot morgen!

  • doorA1

    por, a través de

    We liepen door het park.

  • drieA1

    tres

    De les duurt drie uur.

  • duizendA1

    mil

    Er kwamen duizend bezoekers.

  • éénA1

    uno

    Ik heb maar één broer en twee zussen.

  • eersteA1

    primero

    Dit is mijn eerste dag hier.

  • elfA1

    once

    De winkel sluit om elf uur.

  • elkA1

    cada (elk)

    Elk kind krijgt een klein cadeautje van de juf.

  • elkaarA1

    el uno al otro

    We helpen elkaar.

  • enA1

    y

    Ik neem brood en kaas.