Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

223 palabras · página 1 de 9

  • aanbiedenA2separableirregular

    bood aan · boden aan · hebben aangeboden

    ofrecer

    Zij bood aan om te helpen.

  • aandringenB1separableirregular

    drong aan · drongen aan · hebben aangedrongen

    insistir

    Hij bleef aandringen op een antwoord.

  • aangevenB1separableirregular

    gaf aan · gaven aan · hebben aangegeven

    indicar; denunciar

    Geef op het formulier aan of u allergieën heeft.

  • aankomenA2separableirregular

    kwam aan · kwamen aan · zijn aangekomen

    llegar

    Wij komen om acht uur aan.


    engordar

    Sinds de winter is hij vijf kilo aangekomen.

  • aannemenB1separableirregular

    nam aan · namen aan · hebben aangenomen

    contratar; aceptar; suponer

    Het bedrijf neemt dit jaar tien nieuwe mensen aan.


    suponer

    Ik neem aan dat je morgen ook komt.

  • aanradenB1separableirregular

    raadde aan · raadden aan · hebben aangeraden

    recomendar

    Ik raad je aan om vroeg te komen.

  • aanschuivenB2separableirregular

    schoof aan · schoven aan · zijn aangeschoven

    sumarse a la mesa

    Schuif gerust aan, er is genoeg.

  • zich aansluitenB2separablereflexivoirregular

    sloot aan · sloten aan · hebben aangesloten

    unirse a

    Wil je je bij onze groep aansluiten?

  • aansprekenB1separableirregular

    sprak aan · spraken aan · hebben aangesproken

    dirigirse a, llamar la atención

    Ik durfde hem er niet op aan te spreken.

  • aanvragenB1separableirregular

    vroeg aan · vroegen aan · hebben aangevraagd

    solicitar

    Je kunt de toeslag online aanvragen.

  • afdingenB2separableirregular

    dong af · dongen af · hebben afgedongen

    regatear

    Op een markt mag je afdingen.

  • aflopenB1separableirregular

    liep af · liepen af · zijn afgelopen

    terminar, caducar

    Mijn paspoort gaat volgende maand aflopen.

  • afsluitenB1separableirregular

    sloot af · sloten af · hebben afgesloten

    contratar (un seguro); cerrar

    Wij hebben een nieuwe zorgverzekering afgesloten.

  • afsprekenB1separableirregular

    sprak af · spraken af · hebben afgesproken

    quedar, acordar

    Zullen we iets afspreken voor vrijdag?

  • zich afvragenB1separablereflexivoirregular

    vroeg af · vroegen af · hebben afgevraagd

    preguntarse

    Ik vraag me af of dat wel klopt.

  • afwassenA2separableirregular

    waste af · wasten af · hebben afgewassen

    fregar los platos

    Wie wast er vanavond af?

  • afwijzenB1separableirregular

    wees af · wezen af · hebben afgewezen

    rechazar, denegar

    Mijn aanvraag is afgewezen.

  • afzeggenA2separableirregular

    zei af · zeiden af · hebben afgezegd

    cancelar (una cita)

    Ik moet de afspraak bij de tandarts afzeggen.

  • bakkenA2irregular

    bakte · bakten · hebben gebakken

    freír, hornear

    Ik bak een ei voor het ontbijt.

  • bedenkenA2irregular

    bedacht · bedachten · hebben bedacht

    idear, inventar

    Wie heeft dit plan bedacht?


    zich bedenkenreflexivo

    cambiar de opinión

    Hij wilde eerst mee, maar bedacht zich.

  • bedervenA2irregular

    bedierf · bedierven · zijn bedorven

    estropearse

    Vlees bederft snel in de warmte.

  • beginnenA1irregular

    begon · begonnen · zijn begonnen

    empezar

    De les begint om negen uur.

  • begravenB2irregular

    begroef · begroeven · hebben begraven

    enterrar

    Mijn opa is begraven op de begraafplaats in het dorp.

  • begrijpenA1irregular

    begreep · begrepen · hebben begrepen

    entender

    Ik begrijp de vraag niet helemaal.

  • behoudenB2irregular

    behield · behielden · hebben behouden

    conservar, mantener

    De gemeente wil het oude centrum behouden.